Samenvatting Klassieke Literatuur PDF
Document Details

Uploaded by FortunateDidactic6000
Tags
Summary
Dit document is een samenvatting van klassieke literatuur, met focus op hoorcolleges en zelfstandige lectuur. Er is een uitgebreide behandeling van Mesopotamische en Griekse literatuur, inclusief het Gilgamesj-epos, Ilias, Odyssee en Aeneis, en hun historische en literaire context.
Full Transcript
alle hoorcolleges bekijken Muze vertel hoofdstuk 11 lezen en samenvatten Het verhaal van Appollonius lezen en samenvatten Hoorcolleges samenvatten literatuur samenvatten Zelfstandige lectuur epos, lezen en samenvatten. epos: Gilgamesj, Ilias boek 23,...
alle hoorcolleges bekijken Muze vertel hoofdstuk 11 lezen en samenvatten Het verhaal van Appollonius lezen en samenvatten Hoorcolleges samenvatten literatuur samenvatten Zelfstandige lectuur epos, lezen en samenvatten. epos: Gilgamesj, Ilias boek 23, Odyssee boek 6 en Aeneis boek 5 (thema: spelen) Hoorcolleges Week 1.1 Oude kaart Oostelijke kant van de Middellandse Zee Begin literatuur: In het oude Nabije Oosten, specifiek Mesopotamië. ○ Assyrisch en Babylonisch: Verhalen vastgelegd in spijkerschrift, vaak op kleine kleitabletten. Verdwijnen van kennis: Mesopotamische literatuur bleef in gebruik tot de 1e eeuw na Christus. Daarna raakten schrift en inhoud in vergetelheid. Pas in de 19e eeuw herontdekt door opgravingen. Klassieke literatuur (Grieks en Latijn): ○ Nooit verloren gegaan en fungeert als standaard en inspiratiebron. ○ Vormde een gemeenschappelijke gespreksstof voor intellectuelen die het schrift beheersten. Wat is literatuur? Kloosterperspectief: ○ Literatuur is communicatie door middel van teksten die stabiel, coherent en van substantiële omvang zijn. ○ Niet vluchtig: het moet herhaaldelijk gelezen kunnen worden door meerdere generaties en mag niet constant veranderen van vorm. Definitie volgens Cuddon: ○ Literatuur verwijst naar werken uit belangrijke genres (epiek, drama, lyriek, roman, novelle, ode). ○ Literatuur heeft een kwalitatieve connotatie, implicerend dat het werk uitzonderlijke artistieke waarde heeft. ○ Genres: Epiek: Heldenverhalen, vaak over hun verhouding tot goden en het lot. Drama: Uitbeelding van handelingen op toneel. Lyriek: Korte, persoonlijke en emotionele gedichten. Roman/novelle: Fictie, vaak over personages en hun relaties of avonturen. Ode: Lofdicht. Van Dale: Literatuur omvat alle schriftelijke overleveringen van een volk of tijdperk, inclusief alledaagse teksten. Ontstaan van literatuur Mondelinge traditie: Literatuur begon als een orale overlevering (bijv. Gilgamesh). Overgang naar schrift: ○ Het schrift maakte overdracht aan anderen eenvoudiger, zoals bij educatie of herinnering. ○ Belangrijkste schriftdragers: Kleitabletten (spijkerschrift). Papyrus (kwetsbaar). Perkament (duurzaam, gladgemaakt leer). Papier (vanaf latere tijd). Classificaties binnen literatuur 1. Poëzie: ○ Gestileerde taal in verzen met een vaste vorm en structuur. 2. Proza: ○ Vrijer qua vorm. Behoudt grammaticale regels, maar is minder gebonden aan stilistische beperkingen. 3. Genres: ○ Griekse genres: Epiek: Heldendichten. Lyriek: Persoonlijke en emotionele poëzie. Filosofie: Over de plaats van de mens in de wereld. Historiografie: Beschrijving van historische gebeurtenissen. Retorica: Kunst van overtuigend spreken. Drama: Tragedies en komedies. Biografie: Geschiedenis van een persoon. Epistulografie: Brieven, vaak met publicatiedoel. ○ Latijnse genres: Alle Griekse genres + satire (humoristische beschrijving van alledaagse gebeurtenissen) en epigrafiek (inscripties met een praktisch doel, vaak op monumenten). Antieke ideeën over literatuur Aristoteles: ○ Introduceert het concept van mimèsis: de nabootsing van de werkelijkheid. ○ Literatuur kan zowel beschrijven wat gebeurd is (historiografie) als wat mogelijk zou kunnen gebeuren (poëzie). Quintilianus: Onderscheidt drie soorten verhalen: ○ Historia: Feiten. ○ Argumentum: Verhalen die waarschijnlijk waar zijn. ○ Mythos: Pure fictie. Functies van literatuur Abrams: ○ Literatuur is een spiegel van de werkelijkheid, herkenbaar voor de lezer. ○ Tegelijkertijd functioneert het als een lamp, dat nieuwe ideeën of perspectieven kan belichten. Boileau vs Perrault: ○ Classicisme vs modernisme: Classicisten wilden klassieke literatuur imiteren. Modernisten experimenteerden met nieuwe vormen. Dilthey: ○ In de geesteswetenschappen staat de menselijke ervaring centraal, waardoor een scheiding tussen object en subject (zoals in natuurwetenschappen) niet mogelijk is. Waarom antieke literaire kritiek belangrijk is Begrip van literatuur: ○ Literatuur als verschijnsel werd al in de oudheid onderzocht en gecategoriseerd (bijv. genres). ○ Klassieke voorschriften vormen nog steeds een referentiepunt voor schrijvers en theoretici. Verschillende benaderingen: ○ Grammatica, poetica, retorica en filosofie hebben allemaal invloed gehad op de literaire traditie. Plato en Aristoteles Plato: ○ Dichters misleiden het publiek met nabootsingen (mimesis) en spreken lagere emoties aan in plaats van de rede. ○ Literatuur moet verbannen worden uit de staat tenzij het nuttig is voor educatie of moraal. Aristoteles: ○ Literatuur heeft waarde door zijn structuur en functie. ○ In Poetica beschrijft hij tragedie als een middel tot catharsis: Het zuiveren van emoties door inleving en herkenning. Eerste eeuw voor Christus Cicero: ○ Vertaalde Griekse werken naar het Latijn. ○ Schreef over retorica (Brutus, De Oratore) en stijlverschillen (Azianisme vs Athesisme). Horatius: ○ Ars Poetica: Een leidraad voor poëzie en de functie ervan. Ovidius: Poetische beschouwingen, vooral over thema’s als liefde en mythologie. Grieken in Rome Invloed van Grieken: De Romeinen namen veel over van Griekse literatuur, vooral uit Athene en Sparta. Belangrijke figuren: ○ Dionysius van Halicarnassus: Schreef over woordvolgorde en zinsbouw. ○ Pseudo-Longinus: Beschreef verhevenheid in stijl. Declamatie (showredevoeringen): ○ Populair na Cicero, waarbij retorische technieken werden gebruikt voor publiek vermaak. ○ Quintilianus: Schreef een leerboek over retorica en benadrukte dat een redenaar niet alleen technisch vaardig, maar ook moreel goed moest zijn. Week 1.2 De epische wereld Het oude Nabije Oosten Epiek begon in Mesopotamië, het gebied dat al rond 3000 v.Chr. in cultuur werd gebracht met landbouw en stedelijke ontwikkeling. Schrift werd hier gebruikt voor praktische zaken zoals: ○ Pachtcontracten ○ Religieuze teksten ○ Wetstabletten ○ Registraties van landbouwproducten ○ Epische verhalen, zoals het Gilgamesj-epos. Tabletten met spijkerschrift: ○ Verhalen, zoals het Gilgamesj-epos, werden op kleitabletten geschreven. ○ In 19e eeuw herontdekt en ontcijferd. Oraal-formulaire theorie Overdracht van epische verhalen gebeurde aanvankelijk mondeling, door beroepszangers. ○ Later opgeschreven → traditie versteend, standaardteksten vastgelegd. Milman Parry: Onderzoek naar mondelinge kenmerken in epische werken (zoals die van Homeros). ○ Formules: "De snelvoetige Achilles" "De uilogende Athene" "De luidblaffende honden" ○ Deze formules maken metrisch correcte verzen mogelijk en duiden op een orale traditie. Epen als raamvertellingen: ○ Overkoepelend thema, met kleinere verhalen die samen een geheel vormen. ○ Zowel te zien bij het Gilgamesj-epos als bij Griekse epen zoals die van Homeros. Gilgamesj-epos Geschiedenis en overlevering Direct overgeleverd op kleitabletten in spijkerschrift. Oudste versies dateren uit 2100 v.Chr. (opgeschreven in Soemerisch spijkerschrift). Sin-leqi-unnini: auteur van de standaardversie. Laatste schriftelijke versies uit 130 v.Chr. Het epos was populair in verschillende regio's en talen, van Israël tot Centraal-Anatolië. Inhoud: ○ 12 tabletten, rond 3000 regels. ○ Beschrijft de avonturen van Gilgamesj, koning van Uruk (2/3 god, 1/3 mens). Samenvatting van het verhaal 1. Introductie: ○ Gilgamesj, koning van Uruk, wordt neergezet als arrogant en machtig. ○ De goden scheppen Enkidu, een primitieve man, om Gilgamesj te temmen. 2. Vriendschap en avontuur: ○ Na een gevecht worden Gilgamesj en Enkidu vrienden en reizen samen. ○ Ze trekken door het cederwoud, doden de demon Humbaba en keren terug naar Uruk. 3. Conflict met Ishtar: ○ Gilgamesj wijst de avances van de liefdesgodin Ishtar af. ○ Haar vader stuurt de Hemelstier, die door Gilgamesj en Enkidu wordt gedood. ○ Gilgamesj beledigt Ishtar door de bil van de stier naar haar te gooien. 4. Enkidu’s dood: ○ De goden straffen hen voor het doden van Humbaba en de Hemelstier. ○ Enkidu wordt ziek, beschrijft de onderwereld en sterft. 5. Gilgamesj zoekt onsterfelijkheid: ○ Overmand door rouw besluit Gilgamesj onsterfelijkheid te zoeken. ○ Hij reist naar Utanapishti (die de zondvloed overleefde) voor kennis over het eeuwige leven. ○ Gilgamesj faalt: het kruid van het eeuwige leven wordt door een slang gestolen. ○ Hij keert terug naar Uruk, leert berusten in sterfelijkheid. Thema’s in Gilgamesj Epische sfeer: Een held centraal, goddelijke invloed en morele dilemma’s. Urtijd: Tijd en plaats waar goden en mensen dicht bij elkaar leefden. Stadsgoden: Iedere stad had eigen beschermgod, zoals Shamash (zonnegod) en Ishtar (godin van liefde). Onsterfelijkheid en sterfelijkheid: Zoektocht naar onsterfelijkheid vormt de kern, met aanvaarding van sterfelijkheid als eindconclusie. Vergelijking met Griekse epiek Homeros’ epische traditie: ○ Dactylische hexameter als metrisch kenmerk. ○ Mondelinge oorsprong, later schriftelijk vastgelegd. ○ Stijl: herhalingen, epitheta (zoals “snelvoetige Achilles”), en gebruik van directe rede. Thematische overeenkomsten: ○ Gilgamesj en Ilias: Held met goddelijke moeder en sterfelijke vader (Gilgamesj en Achilles). Rouw om de dood van een beste vriend (Enkidu en Patroclus). Impulsief, trots en emotioneel karakter. Begrafenisrituelen voor vrienden worden zo lang mogelijk uitgesteld. ○ Gilgamesj en Odyssee: Reis van een held die kennis en wijsheid verwerft. Ontmoetingen met goddelijke wezens: Odyssee: Calypso en Circe. Gilgamesj: Siduri en Ishtar. Liefde speelt een belangrijke rol. Ishtar en Aphrodite: ○ Beide zijn godinnen van liefde en seksualiteit. ○ Beiden klagen hun problemen aan bij hun vader (Anu in Gilgamesj, Zeus in de Ilias). ○ Vaderlijke reactie: ze worden vermaand om zich in te houden. Goddelijke hiërarchieën: ○ Ilias: Zeus (oppergod) en Dione (vrouwelijke godheid). ○ Gilgamesj: Anu (oppergod) en Antu (vrouwelijke godheid). Invloed van vroege epiek Lineair B-tabletten: Oudste geschreven Grieks (13e-14e eeuw v.Chr.), ontcijferd in 1943. Namen uit deze tijd komen terug in Homeros’ epiek. Conclusie: Homeros bouwt voort op een al veel oudere traditie van epische verhalen, maar was de eerste die de Griekse epiek een schriftelijke vorm gaf. Kenmerken van epiek Structuur: ○ Lang narratief gedicht met goddelijke invloeden en een held centraal. ○ Raamvertellingen met kleinere verhalen binnen een overkoepelend thema. Stilistische elementen: ○ Herhaling, epitheta, gebruik van directe rede. Thematiek: ○ Sterfelijkheid vs onsterfelijkheid. ○ Rouw, vriendschap en avontuur. ○ De relatie tussen goden en mensen. Week 2 Eer in de epiek Eer (timè): Belangrijk concept in het epos. Het draait om roem en status voor jezelf, maar ook om de collectieve eer van stad, volk en vaderland. In de Ilias: Eer en wrok zijn centrale thema’s. ○ Achilles' wrok ontstaat doordat zijn eer wordt aangetast door Agamemnon, die Briseïs van hem afneemt. Homerus en zijn epische werken Homerus: ○ Auteur van de Ilias en Odyssee, maar over zijn identiteit is weinig zeker: Herkomst onbekend (mogelijk westkust Klein-Azië). Misschien blind (geassocieerd met zieners die met goden communiceerden). Geen schrijver, maar een dichter die zijn werken voordroeg. ○ Werkzaam in de tijd waarin het schrift werd geïntroduceerd (Feniciërs). Tijdlijn: ○ Homerus leefde rond de 9e of 8e eeuw v.Chr. ○ De epische traditie bestond al eerder (bijv. Gilgamesj-epos), maar Homerus markeert het begin van de Griekse schriftelijke epiek. De Ilias en zijn kenmerken Thema: De wrok (mènis) van Achilles, geïntroduceerd in de eerste regel. Structuur: ○ Geschreven in daktylische hexameter: Verzen met zes heffingen (lang-kort-kort of lang-lang). ○ 16.000 verzen. Kenmerken van een epos: ○ Helden centraal (Achilles, Hector). ○ Lang, groots en verhalend. ○ Kunsttaal: verheven stijl en vaste vorm. ○ Vaak afspelend in de hoogste lagen van de samenleving. ○ Dydactisch (onderwijzend): toont voorbeeldgedrag of leert over de menselijke conditie. ○ Verteld door een alwetende verteller in de derde persoon. Les in de Ilias: Roem (kleos) is een manier om de dood te overwinnen; door grote daden blijft je naam voortbestaan. Samenvatting van de Ilias Belangrijkste verhaallijn: ○ Eerconflict: Agamemnon neemt Briseïs van Achilles, wat leidt tot Achilles’ wrok. Hij weigert te vechten. ○ Gevecht van Patroklos: Patroklos neemt Achilles’ plaats in op het slagveld, maar wordt gedood door Hector. ○ Wraak: Achilles doodt Hector, sleept zijn lichaam achter zijn wagen, maar schenkt het later terug aan Priamos (Hectors vader). Tijdspanne: 54 dagen. Historische dimensie en archeologie Schliemann: ○ Amateurarcheoloog die Troje opgroef (Hissarlik-heuvel in Turkije). ○ Troje gevonden, inclusief stadsmuren en paleisfundamenten. ○ Helaas vernietigde hij veel lagen van het oude Troje door zijn onzorgvuldige graafwerk. Griekse stadsstaten: ○ Mycene (van Agamemnon) was een machtig centrum in de Griekse Bronstijd. ○ De oorlog om Troje: mythologisch conflict rond de ontvoering van Helena door Paris. Herodotus: Vader van de historiografie Achtergrond: ○ Leefde 480–425 v.Chr., afkomstig uit Halikarnassos (Klein-Azië). ○ Schreef over de Perzische oorlogen en culturele verschillen tussen Grieken en oosterse volken. ○ Werkte in de klassieke tijd van Athene, waar vele auteurs floreerden. Werkwijze: ○ Introduceerde het concept van historia (onderzoek). ○ Bronnen: Opsis: Wat hij zelf zag (tempels, gebieden, artefacten). Akoè: Wat hij hoorde van anderen (priesters, inwoners). Gnomè: Zijn eigen conclusies. Ta gegrammena: Geschreven bronnen zoals inscripties en papyri. ○ Presenteerde meerdere versies van een verhaal, maar trok zelf conclusies over wat het meest waarschijnlijk was. Structuur: ○ Werk bestond uit 9 boeken, genoemd naar muzen. Thema’s: ○ Beschrijving van vreemde culturen en gewoonten (bijv. Perzen met meerdere echtgenoten). ○ Historische vragen, zoals de oorzaken van conflicten tussen Grieken en Perzen. Thucydides: De rationele historicus Achtergrond: ○ Leefde rond 479–429 v.Chr. ○ Schreef over de Peloponnesische oorlog (431–404 v.Chr.) tussen Athene en Sparta. Verschillen met Herodotus: ○ Thucydides focuste op recente geschiedenis en rationele oorzaken. ○ Minder aandacht voor mythologie en culturele verhalen. ○ Biedt een kant-en-klaar analyse in plaats van de lezer zelf conclusies te laten trekken. Belangrijke gebeurtenissen: ○ Peloponnesische oorlog: Conflict tussen Athene (zeemacht) en Sparta (landmacht). ○ Athene: democratisch bestuur, sterke handel en scheepvaart. ○ Sparta: conservatieve militaire oligarchie. ○ Athene verloor de oorlog, mede door een pestepidemie die veel burgers en Perikles zelf het leven kostte. Perikles en de Atheense democratie Perikles: ○ Politiek leider en strateeg van Athene. ○ Stond voor de democratie en overtuigde de volksvergadering (ekklesia) om oorlog met Sparta te beginnen. ○ Zijn ideeën waren doorslaggevend, zelfs tijdens grote verliezen in de oorlog. Redevoeringen: ○ Perikles’ beroemde lijkrede (opgetekend door Thucydides): Prijst de Atheense democratie, vrijheid van meningsuiting (eleutheria) en gelijke rechten (isonomia). Democratie als voorbeeld voor andere staten. Athene had politieke vrijheid én tijd voor ontspanning (positieve vrijheid). Negatieve vrijheid: er zijn geen restricties. Athene tijdens Perikles: ○ Delisch-Attische Zeebond: Bondgenootschap van Griekse stadstaten onder leiding van Athene. Democratie werd vaak opgelegd aan bondgenoten. Athene profiteerde van de bijdragen aan de bond en gebruikte deze om monumenten zoals het Parthenon te bouwen. ○ Democratisch systeem: Volksvergadering (Ekklesia): Alle stadsdelen hadden stemrecht. Boulè (raad van 500): Voorbereiding van de volksvergadering. Rechtbanken: Juryleden werden via loting gekozen. Strategen: Jaarlijks gekozen militaire en politieke leiders. Politieke ideeën: Aristoteles en Plato Aristoteles: ○ Onderscheid tussen democratie, oligarchie en tirannie. ○ Voorstander van een gemengde constitutie: Koning + raad + volksvertegenwoordiging. Plato: ○ Tegenstander van democratie: volk is niet bevoegd om beslissingen te nemen. ○ Pleit voor een oligarchie van filosofen, zoals beschreven in zijn werk Politeia. Samenvattend Eer en roem zijn centrale thema’s in de epiek, met belangrijke lessen over sterfelijkheid en het belang van daden. Homerus markeert het begin van de Griekse schriftelijke epiek, maar bouwde voort op een oudere traditie. Historici zoals Herodotus en Thucydides legden de basis voor geschiedschrijving, elk met een eigen benadering. De Atheense democratie onder Perikles combineerde vrijheid en gelijkheid, maar leidde ook tot spanningen in de Griekse wereld. Week 3 Theater als geestelijke ontspanning Theater speelde een belangrijke rol in het leven van de oude Grieken, naast politieke en juridische activiteiten zoals de bondsvergadering en rechtbanken. Festival van de Grote Dionysia: ○ Jaarlijks religieus festival in maart, gewijd aan Dionysos (god van wijn, vruchtbaarheid, en theater). ○ Begon als zang- en dansrituelen bij het offeren aan Dionysos. ○ Evolueerde tussen de 6e en 5e eeuw v.Chr. naar toneelvoorstellingen met mythische verhalen. ○ Toneelstukken hadden een wedstrijd-element, waarbij schrijvers streden om de beste uitvoering. Structuur en architectuur van het theater Locaties: ○ Theaters werden gebouwd in het natuurlijke landschap, vaak tegen bergen aan. ○ Overal waar Grieken zich vestigden, bouwden ze theaters (bijv. Epidauros op de Peloponnesos). Onderdelen van het theater: ○ Orchèstra: Ronde vloer waar het koor zich bevond, met dans en zang. ○ Skène: Achtergrondgebouw waar personages zich bevonden en speelden. ○ Bomos: Altaar voor Dionysos. ○ Parodos: Zij-ingangen voor zowel publiek als personages. ○ Proscenion: Podium waar het toneel werd gespeeld. ○ Odeion: Overdekte ruimte voor opslag en kleinere optredens. Opvoering en organisatie Toneelstukken: ○ Drie toneelstukken van één schrijver werden achter elkaar opgevoerd, met een satyrspel als luchtig slotstuk. ○ Publiek keek vaak de hele dag (10 uur). Acteurs: ○ Maximaal drie spelers tegelijk op het podium. ○ Maskers: Gebruik van maskers maakte het mogelijk dat mannelijke acteurs ook vrouwelijke rollen speelden en van personage konden wisselen. ○ Maskers waren waarschijnlijk van klei; weinig is overgebleven. Organisatie: ○ Leitourgos: Rijke burgers (liturgieën) financierden de opvoeringen. ○ Acteurs moesten luid en verstaanbaar spreken, vaak met overdreven expressies. Structuur van een tragedie Dramatische opbouw: ○ Proloog: Introductie waarin de situatie en het verhaal worden geschetst (bekende verhalen werden herverteld, maar op een nieuwe manier). ○ Parodos: Opkomst van personages en het koor. ○ Handeling: Onderbroken door het koor dat reflectieve intermezzo’s biedt en dansend strofen en antistrofen uitvoert. ○ Rhèsis: Lange monoloog van een personage (10 minuten). ○ Agoon: Retorische tweestrijd, waarbij twee personages elkaar overtuigen in een pleidooi. ○ Stychomythia: Dialoog in snelle, afwisselende verzen. ○ Peripetie: Omwenteling in het verhaal, vaak aangekondigd door een bode. ○ Anagnorisis: Moment van zelfinzicht van het hoofdpersonage. Kenmerken: ○ Verhalen gebaseerd op mythologie, vaak met een tragische afloop. ○ Dichtkunst in verzen, met een ritmische structuur. Tragedie volgens Aristoteles Aristoteles' definitie in Poetica: ○ Tragedie is een mimèsis (weergave van de wereld): het toont menselijke handelingen en fouten. ○ Personages: Vaak slachtoffer van omstandigheden, maar maken ook fouten (hamartia: beoordelingsfout). Hoogmoed (hubris) leidt vaak tot hun ondergang. ○ Doel van tragedie: Eleos (medelijden) en phobos (angst) opwekken bij het publiek. Leidt tot catharsis: emotionele zuivering en zelfinzicht. Oedipus Rex van Sophocles Samenvatting: ○ Oedipus: Ontvlucht Korinthe na een orakel dat hij zijn vader zal doden en met zijn moeder zal trouwen. ○ Onderweg naar Thebe: Vermoordt onbewust zijn vader (Laios) na een ruzie. Lost het raadsel van de Sfinx op en wordt koning van Thebe. ○ Onthulling: Oedipus ontdekt dat hij zijn vader heeft gedood en met zijn moeder (Iokaste) is getrouwd. Hij steekt zijn ogen uit (anagnorisis) en gaat in vrijwillige ballingschap. ○ Peripetie: De waarheid verandert zijn hele bestaan. Kenmerken: ○ Hamartia: Zijn beoordelingsfout en onwetendheid leiden tot tragedie. ○ Tragisch einde: Oedipus gaat vrijwillig in ballingschap, vergezeld door zijn dochters Antigone en Ismene. Antigone van Sophocles Samenvatting: ○ Na de dood van Oedipus ontstaat een machtsstrijd tussen zijn zoons, Eteokles en Polyneikes, die beiden sterven in een burgeroorlog. ○ Kreon (regent van Thebe): Verbiedt de begrafenis van Polyneikes (een verrader), terwijl Antigone erop staat haar broer te begraven. ○ Conflict: Kreon: Staat en menselijke wetten (nomos) zijn het belangrijkst. Antigone: Familiewetten en goddelijke wetten (phusis) gaan voor. ○ Tragisch einde: Antigone pleegt zelfmoord in de graftombe waarin ze is opgesloten. Haemon (Creons zoon en verloofde van Antigone) en Eurydike (Creons vrouw) plegen ook zelfmoord. ○ Peripetie: Kreon ziet in dat zijn koppigheid en gebrek aan flexibiliteit tot de dood van zijn familie hebben geleid. Thematiek: ○ Conflict tussen persoonlijke en collectieve waarden. ○ Autocratie versus de wil van het volk. ○ Antigone symboliseert het hogere (goddelijk recht), Kreon de wereldlijke macht. Medea van Euripides Samenvatting: ○ Medea helpt Jason het Gouden Vlies te stelen, maar wordt verraden wanneer Jason met een ander trouwt om koning te worden. ○ Hoofdconflict: Medea wil wraak nemen en doodt hun kinderen. ○ Kenmerken: Innerlijk conflict tussen moederliefde (phusis) en wraakzucht (pathos). Peripetie: Medea’s moord op haar kinderen verandert haar leven onherroepelijk. Thematiek: ○ Conflict tussen persoonlijke en staatsbelangen. ○ Jason vertegenwoordigt familiewaarden, Creon staatsrecht, en Medea wraak en rechtvaardigheid. Belang van Griekse tragedie Culturele betekenis: ○ Theater diende als reflectie op sociale, morele en politieke kwesties. ○ Tragedies boden catharsis aan het publiek en gaven inzicht in menselijke emoties en fouten. Symboliek: ○ De personages, conflicten en thema’s weerspiegelden grotere dilemma’s van de samenleving. ○ Conflicten tussen nomos (menselijke wet) en phusis (natuurwet) waren vaak centraal. Week 4 Literatuur in historische context Archaische literatuur (tot 5e eeuw v.Chr.): ○ Genres: Epos en lyriek. ○ Voorbeeld: Homerus’ Ilias en Odyssee. Klassieke literatuur (5e–4e eeuw v.Chr.): ○ Genres: Historiografie, toneel (5e eeuw), filosofie en retorica (4e eeuw). ○ Voorbeelden: Euripides, Sophocles, Aristoteles. Hellenistische literatuur (vanaf 323 v.Chr.): ○ Genres: Epos, leerdicht, bucolische zang. ○ Voorbeelden: Apollonius Rhodius, Callimachus. Latijnse literatuur (vanaf 3e/2e eeuw v.Chr.): ○ Ontstaan door invloed van Griekse literatuur via Romeinse contacten met het Oosten. ○ Eerste werken waren vaak vertalingen van Griekse teksten. De opkomst van Rome en invloed van Griekse cultuur Romeins-Griekse interactie: ○ Tijdens en na de Punische oorlogen (264–146 v.Chr.) richtte Rome zich op expansie naar het oosten. ○ Rome kwam in contact met de Griekse literaire tradities en wilde deze overzetten in het Latijn. Latijnse literatuur begon met vertalingen: ○ Livius Andronicus: Vertaalde Homerus’ Odyssee naar het Latijn in dactylische hexameter. ○ Ennius: Schreef een Latijnse versie van Medea. Alexandrijnse (Hellenistische) literatuur Callimachus: Schreef onder andere Aitia, Hymnen en Ibis. Apollonius Rhodius: ○ Belangrijk werk: Argonautica (270–245 v.Chr.), een episch gedicht over de reis van Jason en de Argonauten. ○ Verbanden met Griekse tradities: Vorm en thema's geïnspireerd door Homerus (bijv. mythologie, heroïek). Psychologische diepgang en retorische elementen ontleend aan Euripides’ Medea. ○ Structuur van de Argonautica: Boek 1: Reis van Iolcus naar Mysia (1363 verzen). Boek 2: Reis van Mysia naar Colchis (1285 verzen). Boek 3: Avonturen in Colchis (1407 verzen). Boek 4: Terugreis naar huis (1781 verzen). ○ Thema’s en stijl: Karaktertekening van Medea: complexe emotionele en psychologische portrettering. Gebruik van koorstukken, agones (retorische tweestrijd), en mythologische thema’s. Latijnse navolgers van Hellenistische literatuur Hellenistische invloed: ○ Griekse literatuur werd in het Latijn geïmiteerd en vertaald. Voorbeelden van auteurs: ○ Livius Andronicus: Eerste Latijnse Odyssee (vertaling van Homerus). ○ Ennius: Schreef Medea in het Latijn. ○ Accius: Behandelde Griekse thema’s in zijn werken, vaak met barokke overdrijving. Fragmentarisch karakter: ○ Veel vroeg-Latijnse tragedies zijn slechts in flarden overgeleverd. ○ Bijvoorbeeld: Een herder die in Medea het schip van de Argonauten ziet varen. Catullus: ○ Schreef poëzie met Griekse invloeden. ○ Voorbeeld: Zijn gedicht over Ariadne, waarin ze Theseus verwijt haar te hebben verlaten. Het toont overeenkomsten met de klaagzangen van Medea. Samenvattend 1. Invloed van Grieken op Romeinse literatuur: ○ Romeinse literatuur begon met vertalingen en imitatie van Griekse werken. 2. Hellenistische literatuur en psychologie: ○ Apollonius Rhodius’ Argonautica en Euripides’ Medea inspireerden latere schrijvers met hun focus op psychologische karakterisering en retorica. 3. Vroege Latijnse literatuur: ○ Werken zoals Medea en de Odyssee markeren de eerste stappen in de Latijnse literaire traditie. ○ Overdrijving en dramatische stijl kenmerken vroeg-Latijnse werken. Week 5 Begin van de Romeinse historiografie 1e eeuw v.Chr.: Begin van serieuze Romeinse geschiedschrijving, geïnspireerd door Griekse literatuur. Eerdere werken (3e–2e eeuw v.Chr.): ○ Geschiedenis werd in eerste instantie geschreven in het Grieks of heroïsche verzen. ○ Belangrijke auteurs: Ennius en Naevius: Eerste dichters die geschiedenis beschreven, met een focus op de Punische oorlogen (Rome vs Carthago). Vergilius nam hen later als voorbeeld. ○ Punic Wars: Eerste oorlog (264–241 v.Chr.): Rome bouwde oorlogsschepen en overwon Carthago. Tweede oorlog (218–201 v.Chr.): Hannibal viel vanuit het noorden aan maar werd uiteindelijk verslagen. Derde oorlog (149–146 v.Chr.): Rome verwoestte Carthago volledig; de bevolking werd vermoord of gedeporteerd. ○ Romeinse transformatie: Van landmacht naar zeemacht. Historiografie in de Republiek Vroege geschiedschrijving: ○ Priesters hielden jaarboeken bij met gebeurtenissen (oorlogen, natuurverschijnselen). Deze werden tentoongesteld op het Forum Romanum. ○ Geschiedschrijvers zoals Cato, Pictor, en Piso hielden zich aan feiten zonder deze te verfraaien. ○ Cicero's kritiek: Geschiedenis moet een verhaal hebben om interessant en leerzaam te zijn. Rhetorica in geschiedschrijving: ○ Cicero stelde dat retorische technieken zoals: Inventio (materiaal vinden), Dispositio (materiaal structureren), Narratio (verhaal vertellen), ook toegepast konden worden op geschiedschrijving, zolang veritas (waarheid) centraal bleef. ○ Geschiedenis moest niet alleen feiten bevatten, maar ook delectationem (plezier) bieden. Cicero's rol in de historiografie Carrière: ○ Politicus en advocaat, consul in 63 v.Chr. ○ Beroemd om zijn redevoeringen, zoals die tegen Catilina (vier redevoeringen): 9 november 63 v.Chr.: Bewijs dat Catilina steun van Galliërs zocht. 5 december 63 v.Chr.: Collectief doodvonnis voor Catilina en zijn samenzweerders. ○ Cicero presenteerde zichzelf als de redder van de staat. Na zijn verbanning (60 v.Chr.): ○ Schreef brieven, filosofische werken en boeken over wetten en welsprekendheid. ○ Werd aangespoord om geschiedenis te schrijven, maar deed dit niet omdat hij de waarheid wilde waarborgen. Andere belangrijke figuren in de Romeinse geschiedschrijving 1. Sallustius (80–32 v.Chr.): ○ Aanhanger van Cicero. ○ Schreef over de Catilina-samenzwering. 2. Cornelius Nepos: ○ Eerste Romeinse biograaf, geïnspireerd door Griekse tradities. ○ Reflecteerde op hoe biografieën eerlijk en compleet moesten zijn, ook bij buitenlandse figuren. ○ Waarschuwde voor het behandelen van onbelangrijke feiten. Julius Caesar en De Bello Gallico Achtergrond: ○ Caesar was consul en kreeg Gallië toegewezen als provincie. ○ Breidde de Romeinse macht in Gallië uit via militaire campagnes. ○ Beschreef deze in zijn werk De Bello Gallico (58–50 v.Chr.). Structuur: ○ Zeven boeken door Caesar, waarin hij zijn campagnes beschrijft: Eerste conflict met de Helvetiërs. Romeinse orde vestigen in Gallië. Overwinningen op de Galliërs en Belgen. ○ Het achtste boek, geschreven door Hirtius, beschrijft Caesar’s vertrek. Kenmerken: ○ Eenvoudige stijl, bedoeld om toegankelijk te zijn. ○ Zelfreclame: Caesar beeldt zichzelf af als een effectieve en rechtvaardige leider. ○ Waarheidsgehalte: Er is discussie over de objectiviteit van Caesar’s verslag, mogelijk geschreven om zijn prestaties te verheerlijken. Latere reflecties op Caesar en geschiedschrijving Suetonius: Schreef 100 jaar later een beoordeling van Caesar's werk. ○ Prees de eenvoud en het literaire karakter van De Bello Gallico. Caesar’s invloed: ○ Combineerde feitelijke geschiedschrijving met literaire technieken. ○ Maakte geschiedenis leesbaar en aantrekkelijk, maar mogelijk met minder nadruk op volledige waarheid. Belang van de Romeinse geschiedschrijving Romeinse geschiedschrijving ontwikkelde zich van eenvoudige feitenregistratie naar literaire en retorische verhalen. Grote namen zoals Cicero, Sallustius, en Caesar legden de basis voor latere geschiedschrijving. Geschiedschrijving was niet alleen een middel om gebeurtenissen vast te leggen, maar ook om invloed uit te oefenen en persoonlijke roem te behalen. Week 6 Vergilius (70 v.Chr.–19 v.Chr.) Belangrijkste werk: Aeneis – een episch gedicht over de mythische stichting van Rome. Stijl en inspiratie: ○ Geïnspireerd door Homeros, zowel in stijl als structuur. ○ Combineerde elementen uit de Ilias (heldhaftige strijd) en de Odyssee (tochten over zee). Doel: De Romeinse geschiedenis en cultuur verbinden met een mythische oorsprong, terwijl hij Augustus’ regime legitimeerde. Thematiek: ○ Rome als bestemming van een goddelijk plan. ○ Aeneas als symbool voor de volwassenwording van Rome en Augustus. De structuur van de Aeneis Twaalf boeken: ○ Boek 1–6: Geïnspireerd door de Odyssee, focust op Aeneas’ reis over zee. ○ Boek 7–12: Geïnspireerd door de Ilias, focust op strijd en landingen in Italië. Belangrijke momenten: ○ Boek 1: Begin in medias res – Aeneas en zijn mannen zijn al op zee. ○ Boek 2–3: Aeneas vertelt koningin Dido over de val van Troje en zijn reizen tot aan Carthago. ○ Boek 4: Dido wordt verliefd op Aeneas, maar hij verlaat haar om zijn bestemming te volgen. Dido pleegt zelfmoord op een brandstapel. ○ Boek 5: Aeneas komt in Sicilië, waar hij lijkspelen organiseert ter ere van zijn overleden vader Anchises (echo van Achilles' lijkspelen voor Patroklos in de Ilias). ○ Boek 6: Aeneas bezoekt de onderwereld en ontmoet de geest van zijn vader, die hem de glorie van Rome voorspiegelt. Symboliek en historische verbanden Sicilië: ○ Centraal in de Aeneis als locatie van de lijkspelen. ○ Verwijst naar het keerpunt in de Romeinse geschiedenis: Begin van de Eerste Punische Oorlog (264–241 v.Chr.). Sicilië werd de eerste provincie van Rome. Romeinse volwassenwording: ○ Aeneas weerspiegelt de ontwikkeling van Rome als wereldmacht. ○ De lijkspelen symboliseren Rome’s overgang naar volwassenheid en overwinning op Carthago. Verband met Augustus: ○ Aeneas vertegenwoordigt Augustus, die de nieuwe Romeinse orde inluidde na een periode van chaos. ○ De Aeneis legitimeerde Augustus’ heerschappij door hem te verbinden met een goddelijke missie. Livius (54 v.Chr.–17 n.Chr.) Belangrijkste werk: Ab Urbe Condita – een geschiedenis van Rome vanaf de mythische stichting in 753 v.Chr. tot zijn eigen tijd. Bronnen: ○ Gebaseerd op jaarboeken van hogepriesters (annalen). Thema’s: ○ Het glorieuze verleden van Rome als moreel voorbeeld voor zijn tijd. ○ De stichting van Rome als een goddelijk geïnspireerde gebeurtenis. Relatie met de Aeneis: ○ De mythische reis van Aeneas en de geschiedenis van Rome verbonden met elkaar. ○ Beide werken legitimeren Romeinse macht en benadrukken de goddelijke bestemming van Rome. Samenvattend Vergilius’ Aeneis: ○ Combineert mythologie en Romeinse geschiedenis om de goddelijke oorsprong van Rome te benadrukken. ○ Dient als een culturele en politieke rechtvaardiging voor Augustus en de Romeinse keizerlijke macht. Livius’ Ab Urbe Condita: ○ Geeft een historische kijk op de stichting en groei van Rome, gebaseerd op annalen. ○ Plaatst Rome’s opkomst in een bredere historische en morele context. Beide auteurs verweven mythe en geschiedenis om het Romeinse wereldbeeld en Augustus’ rol te versterken. Week 7 Definitie van een roman Een samenhangend prozaverhaal van boeklengte, meestal fictioneel, waarin de handelingen en persoonlijkheidsontwikkeling van een of meer personages centraal staan. Context: personages worden vaak in relatie gebracht tot hun omgeving of milieu. Eerste moderne romans Eind 18e eeuw: De roman als genre kwam op, bijvoorbeeld Robinson Crusoe van Daniel Defoe (overleven op een eiland). Begin 19e eeuw: Opkomst van de roman als dominant literair genre, met auteurs zoals Goethe. Vóór deze tijd was toneel het dominante literaire medium. De roman in de Oudheid Ontstaan: 2e–3e eeuw na Christus, relatief laat in de klassieke oudheid. Voorbeelden: ○ Koning van Tirus (Apollonius): Centraal verhaal: een koning redt een jonge vrouw uit gevangenschap bij haar vader, beleeft avonturen en vindt haar uiteindelijk weer terug. Het verhaal eindigt met een goede afloop. ○ Thematische elementen: Rondreizen over de Middellandse Zee. Beproevingen en spannende wendingen. Liefde, redding, en herkenning als terugkerende thema’s. Verband met de Odyssee De structuur van antieke romans is vaak geïnspireerd op Homeros’ Odyssee: ○ Eerste boeken: Telemachie – de zoektocht van Telemachus naar zijn vader. ○ Middendeel: Odysseus vertelt zijn avonturen (zoals de Circe-episode, de Sirenen, Calypso). Deze avonturen bevatten: Raamvertelling: Ingebedde verhalen binnen een overkoepelend thema (terugkeer naar Ithaka). Hubris (hoogmoed): Odysseus’ verlangen om meer te weten over het bovennatuurlijke leidt tot tegenwerking door de goden. Kenmerken van Odysseus: Listigheid, dapperheid, nieuwsgierigheid, en intelligentie. ○ Laatste deel: Terugkomst naar Ithaka, boogwedstrijd, en wraak op de vrijers. ○ Motief: Herkenning (bijvoorbeeld het bed dat alleen Odysseus kent) als kernmoment voor de climax. Thema’s in de antieke roman 1. Avonturen en beproevingen: Zoals zwerftochten op zee. 2. Herkenning en omwenteling: Personages worden met elkaar herenigd, vaak met een gelukkige afloop. 3. Fictie: Het genre richt zich op verzonnen verhalen die vaak entertainment bieden. 4. Raamvertellingen: Net als in de Odyssee bevat de roman vaak meerdere lagen verhalen binnen één overkoepelend thema. Functies van de roman Vermaak en ontspanning: ○ Geschreven voor een breed publiek, vaak minder gestudeerde klassen. Herkenning en verlichting: ○ Lezers herkennen motieven uit hun eigen leven. ○ Verhalen bieden inzicht in de wereld en menselijke emoties, vergelijkbaar met tragedie. Verspreiding: ○ Geschreven op papyrus en bedoeld om voorgedragen te worden, wat de toegankelijkheid vergrootte. Waarom romans in de Oudheid zeldzaam waren Er zijn slechts enkele antieke romans bekend (5-8 stuks). Het genre werd minder serieus genomen dan epos en tragedie, die hoger gewaardeerd werden in de literaire canon. Samenvattend De roman ontwikkelde zich in de oudheid als een laat genre, sterk beïnvloed door de epische traditie van Homeros. Thematische overlap met epos: ○ Avonturen, beproevingen, en herkenning. ○ Gebruik van raamvertellingen en overkoepelende thema’s. Doel: Zowel vermaak als inzicht bieden, gericht op een breed publiek. Literatuur Muze vertel hoofdstuk 1 Opening van de Ilias De Ilias opent met de beroemde aanroeping van de Muze, waarin de dichter de woede van Achilleus bezingt. Achilleus’ wrok, ontstaan door een conflict met Agamemnon, veroorzaakt grote verliezen onder de Achaiers en zendt vele heldenzielen naar Hades. Deze gebeurtenissen, zo stelt Homeros, zijn het gevolg van de wil van Zeus. Het epos richt zich op de gevolgen van deze breuk en de morele, emotionele en militaire implicaties daarvan. De wrok en eer van Achilleus vormen de kern van het verhaal. Homeros: De Grondlegger van de Griekse Poëzie Algemeen aanvaard beginpunt Homeros wordt gezien als het beginpunt van de Griekse literatuur. Zijn werken, de Ilias en de Odyssee, worden toegeschreven aan de 8e eeuw v.Chr. en vertegenwoordigen een hoogtepunt van artistieke verfijning en narratieve complexiteit. Mondelinge overlevering en schriftelijke vastlegging Voor Homeros waren er rondtrekkende zangers (aoidoi) die verhalen mondeling overdroegen. Het is onduidelijk of Homeros een individu was of het symbool van een collectieve traditie. Zijn epen zijn waarschijnlijk mondeling gecomponeerd en pas later vastgelegd met behulp van het alfabet, dat kort daarvoor in Griekenland werd geïntroduceerd. Epische traditie De complexe metrie en poëtische technieken in Homeros’ werk wijzen op een lange epische traditie. Daarnaast zijn er parallellen met verhalen uit het Nabije Oosten, zoals het Gilgamesj-epos, wat duidt op culturele uitwisseling. Hesiodos: Een Contrasterende Stem Didactische focus Hesiodos onderscheidt zich van Homeros door zijn focus op didactische en moraliserende poëzie. Zijn belangrijkste werken zijn: Theogonie: Een kosmogonie die de oorsprong van de wereld en de stamboom van de goden beschrijft. Werken en Dagen: Een praktische gids voor landbouw en moreel gedrag, gericht op het harde leven van de mens. Zelfpresentatie In tegenstelling tot Homeros, introduceert Hesiodos zichzelf expliciet in zijn werk. Hij noemt zijn naam, afkomst en persoonlijke ervaringen, zoals zijn conflict met zijn broer Perses. Deze autobiografische elementen versterken zijn gezag als morele gids. Thematische verschillen Waar Homeros focust op heroïsche verhalen en oorlog, richt Hesiodos zich op de menselijke conditie, morele plichten en de kosmische orde. Historische Context: Dark Ages en Herstel Homeros en Hesiodos leefden aan het einde van de Dark Ages (ca. 1100-750 v.Chr.), een periode van verval waarin het Lineair B-schrift verdween en economische stagnatie heerste. In de late 8e eeuw v.Chr. begon een heropleving, gekenmerkt door: De introductie van het alfabetische schrift (gebaseerd op het Fenicische alfabet). Versterkte steden en intensivering van handelscontacten. Invloed van buitenlandse tradities, zoals de epische verhalen uit het Nabije Oosten. Deze ontwikkelingen maakten de vastlegging van complexe epen zoals die van Homeros mogelijk. De Homerische Kwestie Debat over auteurschap De ‘Homerische kwestie’ betreft de vraag of de Ilias en de Odyssee door één dichter (unitaristen) of door meerdere dichters over een langere periode (analytici) zijn gecomponeerd. De inconsistente details en anachronismen in de teksten, zoals onpraktisch gebruik van strijdwagens, suggereren dat de epen een product zijn van een lange orale traditie. Mondelinge traditie Onderzoek van Parry en Lord naar Zuid-Slavische bardtradities illustreert hoe epische poëzie via formules, epitheta en typische scènes mondeling wordt overgedragen. Homeros’ epen tonen sterke kenmerken van deze orale compositiemethode. Ilias: Samenvatting en Analyse Narratief overzicht De Ilias speelt zich af gedurende 54 dagen in het tiende jaar van de Trojaanse oorlog en behandelt: 1. Het conflict tussen Achilleus en Agamemnon: Dit ontstaat wanneer Agamemnon Briseïs van Achilleus afneemt, wat leidt tot Achilleus’ terugtrekking uit de strijd. 2. De dood van Patroklos: Achilleus’ vriend sterft terwijl hij in Achilleus’ wapenrusting vecht. 3. De wraak van Achilleus op Hektor: Achilleus doodt Hektor en mishandelt diens lichaam, maar keert uiteindelijk het lichaam terug aan Priamos. 4. De verzoening tussen Achilleus en Priamos: Een ontroerende ontmoeting waarin beiden hun verdriet over verlies delen. Thema’s Menselijk lot en sterfelijkheid: Achilleus’ besef van de tragische menselijke conditie staat centraal. Eer en wrok: Achilleus’ wrok drijft het verhaal. Goddelijke invloed: De goden beïnvloeden en manipuleren het menselijke lot, vaak met humoristische of cynische effecten. Odyssee: Samenvatting en Analyse Narratief overzicht De Odyssee speelt tien jaar na de val van Troje en volgt Odysseus’ avonturen terwijl hij naar huis reist. Belangrijke elementen zijn: De avonturen van Odysseus: Zoals de verblinding van Polyphemos, de Sirenen en Skylla en Charybdis. De hereniging op Ithaka: Odysseus heroverd zijn paleis door de vrijers te doden en wordt herenigd met Penelopeia. De herkenningsscènes: Cruciale momenten waarin Odysseus zijn identiteit onthult. Thema’s Intelligentie en overleven: Odysseus’ listigheid en aanpassingsvermogen (polytropos) zijn sleutels tot zijn succes. Gastvrijheid: De grenzen tussen gastvrijheid en misbruik worden verkend. De rol van vrouwen: Vrouwen zoals Penelopeia en Athene spelen centrale rollen in zijn reis. Hesiodos: Werken en Invloed Werken en Dagen Hesiodos beschrijft de harde werkelijkheid van het menselijke bestaan. Hij verdeelt de geschiedenis in vijf geslachten: 1. Gouden geslacht: Harmonie en overvloed. 2. Zilveren geslacht: Mensen negeren de goden. 3. Bronzen geslacht: Oorlogszuchtig en gewelddadig. 4. Helden geslacht: Tijdperk van epische helden. 5. IJzeren geslacht: Het huidige, ellendige tijdperk. Hij spoort aan tot hard werken en morele verantwoordelijkheid, en biedt praktische richtlijnen voor landbouw. Theogonie De Theogonie biedt een genealogie van de goden en beschrijft de kosmische orde. Belangrijke verhaallijnen zijn: De castratie van Ouranos door Kronos. Zeus’ strijd tegen de Titanen en zijn uiteindelijke heerschappij. De schepping van de mensheid en de mythe van Prometheus. Vergelijking tussen Homeros en Hesiodos Homeros: Bezingt een heroïsche en aristocratische wereld van helden en oorlog. Hesiodos: Richt zich op de gewone mens en biedt morele en praktische lessen. Populariteit: Homeros genoot bredere populariteit, maar Hesiodos werd gezien als de morele gids. Erfenis Homeros en Hesiodos vormen samen de basis van de Griekse literatuur. Homeros beïnvloedde de epiek en tragedie, terwijl Hesiodos de didactische traditie inspireerde. Beiden blijven een onmisbare bron voor het begrijpen van de Griekse cultuur en mythologie. Muze vertel hoofdstuk 3 Geleidelijke opkomst van proza De rol van versvorm in de vroege Griekse cultuur Langzame ontwikkeling van proza: Proza ontwikkelde zich veel trager dan dichterlijke vormen. In de archaïsche periode werden teksten met een praktische functie, zoals grafinscripties, eigendomsmarkeringen, en zelfs wetsteksten, vaak in versvorm geschreven. Memorabele structuur: De ritmische structuur van versvorm hielp bij het onthouden en doorgeven van informatie. Hierdoor waren orakelspreuken, inscripties en wetsteksten aanvankelijk sterk formulaïsch en poëtisch van aard. Overgang naar schriftelijke vastlegging: Met de opkomst van epigrafische technieken werden teksten in proza vastgelegd. Wetsteksten werden gegraveerd in steen, brons of hout, wat hun toegankelijkheid voor geletterde personen vergrootte. Kenmerken van archaïsche wetsteksten Wetsteksten waren vaak formulaïsch en repetitief. Ze bestonden uit duidelijke voorschriften en verboden (do’s and don’ts) en waren bedoeld voor publieke bekendmaking. Voorbeeld: De wetinscriptie van Gortyn (600-400 v.Chr.) op Kreta is een uitgebreide tekst die huwelijk, echtscheiding, adoptie, erfopvolging, en eigendomstransacties behandelt. De Zeven Wijzen en hun aforismen De Zeven Wijzen Een groep van legendarische wetgevers, hervormers en denkers uit de 6e eeuw v.Chr., waaronder: ○ Solon van Athene: Bekend om zijn politieke en sociale hervormingen. ○ Thales van Milete: Filosoof en natuurkundige. ○ Chilon van Sparta, Pittakos van Lesbos en Bias van Priëne: Wijsgerige staatslieden. ○ Kleoboulos van Lindos en Myson van Chen (of Periander van Korinthe): Bekend om hun ethische lessen. Bekende uitspraken: ○ “Niets teveel” (Chilon) benadrukt matigheid. ○ “Ken uzelf” (Thales) spoort aan tot zelfkennis en introspectie. Invloed: Hun spreuken, filosofisch en raadselachtig van aard, weerspiegelden ethische en natuurfilosofische ideeën. “Ken uzelf” werd prominent in de tempel van Apollo te Delphi geplaatst. Het proza wint terrein Ontwikkeling in wetenschap en filosofie Milesische filosofen: ○ Thales van Milete: Zijn stelling dat alles voortkomt uit water werd waarschijnlijk mondeling doorgegeven. ○ Anaximander: Leerling van Thales en de eerste auteur van een Griekse prozatekst, waarin hij alternatieven voor Thales’ kosmologie formuleerde. ○ Anaximenes: Breidde het proza uit met nieuwe kosmologische ideeën, zoals lucht als oerelement. Pythagoras: ○ Pythagoras schreef bewust niets op, mogelijk om zijn ideeën te beschermen. Zijn leringen over getallen, harmonie en de onsterfelijkheid van de ziel (metempsychose) werden later door anderen, zoals Philolaos, vastgelegd. ○ Zijn invloed op Plato’s denken is zichtbaar in zowel wiskundige als ethische theorieën. Herakleitos en de filosofische aforismen Stijl en inhoud: Herakleitos perfectioneerde een bondige, raadselachtige stijl met paradoxale uitspraken, zoals: “Je kunt niet tweemaal in dezelfde rivier staan.” Invloed en verspreiding: Zijn werk werd bewaard in de Artemistempel van Ephesos en geciteerd door Plato, Aristoteles en latere filosofen. Historiografie en logografie De eerste historici Hekataios van Milete: Grondlegger van rationele geschiedschrijving. Hij schreef genealogieën en geografische verhandelingen met een kritische houding tegenover mythologie. Hij vond veel Griekse verhalen “lachwekkend en zonder tal.” Logografen: Zij documenteerden mythologische stambomen en tradities, maar zonder kritische toetsing. Verschil tussen epiek en geschiedschrijving Epiek (Homeros): Vertelde mythen en verhalen om roem (kleos) te vergaren, zonder onderzoek of toetsing. Geschiedschrijving: Introduceerde een methodologie van onderzoek (historie), bestaande uit: 1. Observatie (opsis): Zelf reizen en waarnemen. 2. Consultatie van experts (logioi): Verhalen en tradities toetsen aan verschillende bronnen. 3. Kritische analyse: Zorgvuldig feiten wegen en presenteren. Doelen van geschiedschrijving 1. Waarheidsvinding: Mythen corrigeren en waarheid vaststellen. 2. Behoud van roem: Helden en belangrijke gebeurtenissen voor het nageslacht bewaren. 3. Leren van het verleden: Patronen in menselijke natuur en geschiedenis analyseren. Belangrijke geschiedschrijvers Herodotos (Vader van de geschiedschrijving) Kritische aanpak: Herodotos vermelde meerdere versies van een verhaal en liet lezers oordelen. Hij rationaliseerde mythen als verdichtingen van historische gebeurtenissen. Thematiek: ○ Hoogmoed komt voor de val (hybris) is een terugkerend thema. ○ De Perzische oorlogen worden gepresenteerd als een goddelijke straf voor Xerxes’ overmoed. Etnografische en geografische breedte: Hij beschrijft uitvoerig volkeren zoals de Egyptenaren en Skythen. Thoukydides Methodologie: ○ Stelt rationele analyse centraal, zonder goddelijke verklaringen. ○ Analyseert de oorzaken van de Peloponnesische Oorlog en ziet geschiedenis als een “bezit voor de eeuwigheid” (ktéma es aiei). Belangrijke thema’s: ○ Oorlog en menselijke natuur: Ambitie en overmoed worden onthuld in extreme situaties. ○ Retoriek en leiderschap: Perikles’ lijkrede verheerlijkt Atheense waarden, maar de daaropvolgende pest toont de kwetsbaarheid van de samenleving. Val van Athene: De mislukte Sicilië-expeditie benadrukt het gevaar van overmoed en slecht leiderschap. Xenophon Divers oeuvre: Xenophon schreef praktische, historische en filosofische werken, zoals: ○ Anabasis: Een verslag van de terugtocht van huurlingen onder zijn leiding. ○ Hellenika: Een voortzetting van Thoukydides’ werk, hoewel minder analytisch. ○ De Vorming van Kyros: Een ideaalbeeld van leiderschap. Relatie tot Sokrates: Xenophon’s Sokrates is praktischer en minder filosofisch diepgaand dan Plato’s weergave. Proza in wetenschap en literatuur Wetenschappelijke disciplines Kosmologie en filosofie: Denkers zoals Anaxagoras en Demokritos introduceerden revolutionaire ideeën in proza. Ze verkenden materie, beweging en natuurwetten. Geneeskunde: Hippokrates legde de basis voor rationele medische wetenschap met werken in het Corpus Hippocraticum, waaronder: ○ Casusbeschrijvingen: Zoals in Epidemiae. ○ Polemieken: Zoals de rationele verklaring van epilepsie. Prozafabels en Aisopos Aisopos: Een legendarische fabelverteller uit de 6e eeuw v.Chr., wiens werk volkswijsheid en scherpe observaties bevatte. Verspreiding: Zijn fabels werden later verzameld en beïnvloedden genres met filosofische pretenties. Conclusie De opkomst van proza markeerde een mijlpaal in de Griekse cultuur, waarin rationele analyse, geschiedschrijving en wetenschap de poëtische tradities begonnen te overtreffen. Denkbeelden van filosofen, historici en fabelvertellers hebben de intellectuele en literaire tradities diepgaand beïnvloed. De werken van Herodotos, Thoukydides, Xenophon en anderen blijven fundamenteel voor ons begrip van de klassieke wereld. Muze vertel hoofdstuk 4 De Feesten van Dionysos Drie hoofdfeesten ter ere van Dionysos 1. Plattelands-Dionysia (Poseideon, december-januari): ○ Regionaal festival met eenvoudige vieringen op het platteland. 2. Lenaia (Gamelion, januari): ○ Festival gericht op komedie en kleinere toneelwedstrijden. 3. Grote Dionysia (Elaphebolion, maart-april): ○ Ontstaan onder Peisistratos en uitgegroeid tot het belangrijkste Atheense festival met processies, parades en grote toneelwedstrijden. De Grote Dionysia Centrum: Gevierd rondom het heiligdom van Dionysos Eleuthereus aan de zuidhelling van de Akropolis. Organisatie: ○ Geleid door de archon eponymos, die schrijvers en koorzangers selecteerde. ○ Producties werden gefinancierd door choregen (rijke burgers) als onderdeel van hun belastingplicht. Wedstrijden: ○ Tragediecompetitie: Drie schrijvers, elk drie tragedies en een satyrspel. ○ Komediecompetitie: Vijf schrijvers, elk één komedie. ○ Juryleden, gekozen uit de tien Atheense deelgemeenschappen, wezen prijzen toe aan schrijvers, choregen en vanaf 447 v.Chr. ook aan acteurs. Bijzonderheden: ○ Het festival bleef zelfs tijdens de Peloponnesische Oorlog doorgaan, zij het met minder komedies. ○ Acteurs werden steeds belangrijker en bereikten soms sterrenstatus. Tragedie en de Polis Historisch en cultureel kader Van tientallen tragediedichters zijn slechts fragmenten en titels overgeleverd, naast de complete werken van Aischylos, Sophokles en Euripides. Het huidige repertoire biedt een vertekend beeld van de oorspronkelijke populariteit: klassiekers zoals de Oresteia van Aischylos werden heropgevoerd, terwijl andere werken zoals Kinderen van Herakles minder bekend bleven. Politieke en maatschappelijke functie Tragedies spiegelden maatschappelijke kwesties en behandelden thema’s als verantwoordelijkheid, rechtspraak, en de relatie tussen mensen en goden. Actuele gebeurtenissen beïnvloedden de interpretatie van tragedies, zoals de oligarchische coup van 411 v.Chr. en de processen tegen de Arginoussai-strategen in 406 v.Chr. Euripides’ productie en innovaties Bekende werken: ○ Vrouwen van Thebe (410 v.Chr.): Onderzoek naar leiderschap en zelfopoffering. ○ Orestes (408 v.Chr.): Politieke en persoonlijke conflicten met veel sprekende rollen. ○ Postume werken (Bakchanten, Iphigeneia in Aulis) tonen religieuze thema’s en zelfopoffering. Innovatie: Euripides experimenteerde met complexe rolverdelingen, anachronismen en open interpretaties, waardoor zijn tragedies rijk aan politieke en esthetische lagen zijn. Relatie met komedie Aristophanes’ Kikkers (405 v.Chr.): Dionysos reist naar de onderwereld om Euripides of Aischylos terug te halen, wat komisch commentaar levert op de tragedie en het belang ervan in crisistijden. Thematiek: Mythen en Actualiteit Ontstaan en format Griekse tragedie ontstond mogelijk uit de dithyrambos, een ritueel koor voor Dionysos. Thespis introduceerde de beurtzang tussen koor en solist, wat leidde tot de tragedievorm. Historische en mythologische thema’s Aischylos’ Perzen (472 v.Chr.): De oudste bewaarde tragedie met een historische gebeurtenis (de Perzische nederlaag bij Salamis), geschreven vanuit het Perzische perspectief. Contrast: Phrynichos’ De inname van Milete (493 v.Chr.) werd verboden vanwege de emotionele impact van een Atheense nederlaag. Dramatische structuur Trilogieën: Vaak thematisch verbonden, zoals in Aischylos’ Oresteia (458 v.Chr.): ○ Agamemnon: De moord op Agamemnon door Klytaimnestra. ○ Offerplengers: Elektra en Orestes wreken hun vader. ○ Goede Geesten: Overgang van bloedwraak naar rationele rechtspraak. Deze trilogie verenigt persoonlijke, religieuze en politieke thema’s en benadrukt de overgang naar een rechtssysteem. Zelfreflectie in tragedie Sophokles en Euripides voegden metatheatrale elementen toe, zoals: ○ Sophokles’ Elektra: Reflectie op identiteit en misleiding. ○ Euripides’ Bakchanten: Dionysos in menselijke gedaante benadrukt theatrale illusie. Stijl van de tragedie Kenmerken van het tragische idioom Taalgebruik: ○ Mix van archaïsche Homerische elementen en eigentijdse spreektaal. ○ Neologismen en sterk gestileerde woordkeus, vooral in gezongen teksten. Metriek: ○ Gesproken tekst: jambische trimeter, dicht bij spreektaal maar strikt metrisch. ○ Gezongen tekst: complexe Griekse koorlyriek, vrij van proza-invloeden. Stilistische verschillen tussen dichters Aischylos: Verheven en complexe stijl, vaak moeilijk te begrijpen. Sophokles: Compacte, heldere taal met abstracte thema’s. Euripides: Eigentijdse retoriek en experimenten, gevoelig voor actuele ideeën. Ontwikkelingen in de vijfde eeuw Meer gesproken scènes en eenvoudiger metriekschema’s in latere werken. Toename van interpretatieve toegankelijkheid voor het publiek. Het Satyrspel Algemene kenmerken Een humoristische verwerking van mythologische verhalen als afsluiting van een tragedietetralogie. Koor: Bestond uit satyrs, half-dierlijke volgelingen van Dionysos, met groteske maskers en kostuums (voorbindpenis, staart). Ontwikkeling en voorbeelden Aischylos’ satyrspelen waren thematisch verbonden met de tragedietrilogieën. Vanaf de vierde eeuw werd slechts één satyrspel opgevoerd per competitie. Voorbeeld: Euripides’ Cycloop (gebaseerd op Odysseus’ episode met Polyphemos), een parodie vol humor en seksueel geladen scènes. Conclusie De tragedie tijdens de Dionysos-feesten combineerde mythische verhalen met actuele politieke en sociale reflecties. Door de complexiteit van de dramaturgie, metatheatrale elementen en stilistische verfijning bood de tragedie een uniek medium dat zowel vermaakte als intellectueel uitdaagde. Het festival gaf ook ruimte aan satire via het satyrspel en bood een podium voor maatschappelijke en artistieke innovatie. De blijvende invloed van deze traditie onderstreept het belang van het Griekse theater als cultureel erfgoed. Muze vertel hoofdstuk 10 Interne Instabiliteit in de Laat-Republiek Politieke verdeeldheid en machtsstrijden Eerste eeuw v.Chr.: Gekenmerkt door politieke instabiliteit en interne conflicten die het Romeinse Rijk bedreigden. Voorbeelden van crises: ○ Burgeroorlog tussen Sulla en Marius (jaren 80 v.Chr.): Leidde tot een dictatuur onder Sulla. ○ Samenzwering van Catilina (63 v.Chr.): Bijna succesvolle staatsgreep, verijdeld door Cicero. ○ Machtsgreep van Julius Caesar (jaren 40 v.Chr.): Caesar bereikte absolute macht, maar werd vermoord in 44 v.Chr. Na Caesars dood: Een machtsstrijd volgde tussen zijn opvolgers (Octavianus en Marcus Antonius) en zijn moordenaars (de ‘Republikeinen’). Cicero’s Politieke en Literaire Leven Carrière Homo novus: Cicero, zonder vooraanstaande familiebanden, bereikte uitzonderlijke politieke successen. Hoogtepunten: ○ Advocatuur: Doorbraak in 80 v.Chr. met de verdediging van Sextus Roscius; grote overwinning in 70 v.Chr. tegen de corrupte gouverneur Verres. ○ Consulaat (63 v.Chr.): Op jongst mogelijke leeftijd; verijdeling van de samenzwering van Catilina markeerde zijn politieke hoogtepunt. Tegenslagen: ○ Verbanning (58 v.Chr.): Wegens de terdoodveroordeling van Catilina’s volgelingen zonder proces. ○ Laatste jaren: Na Caesars moord verdedigde Cicero de Republiek tegen Marcus Antonius, wat leidde tot zijn executie in 43 v.Chr. Persoonlijke eigenschappen Opportunisme: Wisselde regelmatig van politieke loyaliteiten; pragmatisch in een complexe tijd. Zelfpromotie: Verheerlijkte zichzelf in poëzie (Mijn consulaat) en vroeg om werken die hem positief afbeeldden. Cicero’s Literaire Nalatenschap Diversiteit van genres Redevoeringen: ○ Meester in retorica, met technieken zoals perioden (lange, samengestelde zinnen) en clausulae (ritmische slotpatronen). ○ Morale dualiteit: boni (deugdzame burgers) tegenover improbi (roekeloze tegenstanders). Brieven: ○ Correspondentie met Atticus en andere politieke figuren biedt een uniek inkijkje in de Romeinse politiek. Filosofische dialogen: ○ Vertaalde en interpreteerde Griekse ideeën in werken zoals De Republiek en Plichten. Poëzie: Minder succesvol en vaak bespot door latere generaties. Invloed op de literatuur Retorische theorie: Cicero ontwikkelde een systematische aanpak voor redevoeringen, gebaseerd op Griekse modellen. Taalontwikkeling: Zijn stijl legde de basis voor het Latijn als een filosofische en retorische taal. Invloed en kritiek Grieks-Romeinse brug: Introduceerde Griekse ideeën in de Romeinse traditie. Kritiek: Zelfverheerlijking, pragmatisch opportunisme en zijn minder geslaagde poëzie. Rome en Andere Culturen: Nepos en Varro Cornelius Nepos Transculturele geschiedschrijving: ○ Werkte aan Kronieken, een wereldgeschiedenis met aandacht voor verschillende beschavingen. ○ Beroemde mannen: Inclusieve biografieën van Grieken, Romeinen, en buitenlandse leiders zoals Hannibal en Perzische koningen. Wereldbeeld: Rome en andere culturen kunnen naast elkaar bestaan. Band met Cicero: Actief in dezelfde intellectuele kringen. Marcus Terentius Varro Taal en identiteit: ○ Schreef Het Latijn, een werk over etymologie dat soms onwetenschappelijke verklaringen bevatte. Agrarische waarden: ○ De landbouw idealiseerde boeren als kern van de Romeinse identiteit. Satirisch en historisch werk: ○ Menippeïsche satiren mengden poëzie en proza om sociale verschijnselen te bekritiseren. Romeinse tradities: Varro benadrukte de waarde van Romeinse cultuur en religieuze gebruiken. Gezamenlijke thema’s Reflecteren op Rome’s identiteit in een veranderende geopolitieke context. Werken als reactie op politieke instabiliteit en culturele transformaties. Julius Caesar als Auteur Schrijver en strateeg Eenvoudige stijl: ○ Gallia est omnis divisa in partes tres symboliseert zijn sobere en ogenschijnlijk objectieve stijl. Filosofisch intellect: ○ Zijn werk Analogie toonde zijn interesse in taal en filosofische discussies. Belangrijke werken Oorlog in Gallië: ○ Acht boeken over zijn veldtochten; presenteert Galliërs als een homogene groep en benadrukt zijn leiderschap. Burgeroorlog: ○ Beschrijft Caesars strijd om de macht; minimaliseert controversiële acties zoals de overstap van de Rubicon. Stijl en propaganda Bewuste eenvoud: ○ Stijl diende om Caesar neer te zetten als eerlijk, helder en reactief. ○ Tegenstanders worden als onbetrouwbaar afgeschilderd. Communicatie: Overtuigde troepen en lezers door heldere argumenten en strategische opbouw. Sallustius: Moralistische Historicus Focale historiografie Schreef over specifieke episodes zoals: ○ Oorlog tegen Catilina: Beschrijving van moreel verval en moed van Catilina. ○ Oorlog tegen Jugurtha: Over de corruptie en intriges in Rome. Thematiek en stijl Moralistische boodschap: ○ Luxe en moreel verval als oorzaken van Rome’s problemen. Archaïsche stijl: Geïnspireerd door Cato de Oudere en Thoukydides, met beknopte, krachtige zinnen. Nalatenschap Unieke aanpak: Focus op specifieke episodes in plaats van chronologische geschiedschrijving. Invloed: Tacitus perfectioneerde later Sallustius’ technieken. Poëzie: Lucretius en Catullus Lucretius’ De rerum natura Didactisch-episch gedicht: ○ Uitleg van de epicuristische filosofie, gericht op het bereiken van ataraxia (innerlijke rust). Thematiek: ○ Geen angst voor de dood; de ziel is sterfelijk. Stijl: Combinatie van poëtische verfijning en wetenschappelijke uitleg. Onvoltooid einde: Eindigt abrupt bij de pest van Athene, wat ruimte biedt voor interpretatie. Catullus’ poëzie Persoonlijke thema’s: ○ Liefdesgedichten over "Lesbia" (mogelijk Clodia Metelli) en speelse satire. Stijl: ○ Geïnspireerd door Alexandrijnse poëtica (Kallimachos) met verfijnde en compacte vormen. Structuur: Verdeeld in korte en lange gedichten; werk is mogelijk niet door Catullus zelf geordend. Bijdrage aan Latijnse poëzie Lucretius: Filosofie en wetenschap als kunstvorm. Catullus: Persoonlijke en emotionele diepgang. Conclusie De Romeinse literatuur van de late Republiek weerspiegelt een tijd van politieke instabiliteit en culturele transformatie. Cicero, Caesar, Nepos en Varro legden de basis voor retorica, geschiedschrijving en culturele identiteit, terwijl Lucretius en Catullus nieuwe wegen insloegen in filosofische en persoonlijke poëzie. Deze schrijvers legden een blijvende erfenis vast die zowel het intellect als de ziel van Rome vastlegde. Muze vertel hoofdstuk 11 De Term ‘Augusteïsch’: Definitie en Probleemstelling Complexiteit van de term De term ‘augusteïsch’ verwijst naar literatuur uit de late eerste eeuw v.Chr., maar omvat meer dan een tijdsaanduiding: ○ Veel werken en schrijvers zijn verbonden met Augustus’ culturele en politieke programma. ○ Sommige werken, zoals het vroege werk van Vergilius en Horatius, ontstonden vóór Augustus’ overwinning bij Actium (31 v.Chr.), in een tijd van politieke onzekerheid. Anekdote over opportunisme: ○ Een man trainde raven om zowel Octavianus als Marcus Antonius te begroeten als overwinnaar, wat de politieke dubbelzinnigheid van deze periode illustreert. ‘Gouden tijd’ en verloren werken Historisch werd ‘augusteïsch’ geassocieerd met kwalitatief goede literatuur. Veel werken uit deze periode zijn verloren gegaan: ○ Ovidius vermeldde tijdgenoten zoals Marius en Capella, van wie niets bewaard is gebleven. ○ Tragedies zoals Ovidius’ Medea zijn bekend door lof van tijdgenoten maar zijn niet overgeleverd. Publicatiepraktijken Veel werken werden eerst voorgedragen voordat ze werden gepubliceerd, maar de relatie tussen voordracht en publicatie blijft onduidelijk. Dichters zoals Horatius en Vergilius schreven vaak over meerdere jaren, met variërende invloed van publiek of politieke veranderingen. Politieke en Culturele Invloed op Literatuur Mecenaat en culturele samenwerking Gaius Maecenas, Augustus’ adviseur, speelde een cruciale rol in het ondersteunen van dichters zoals Vergilius en Horatius. Dichters werkten vaak indirect samen met Augustus’ regime, resulterend in: ○ Snelle literaire vernieuwingen, vaak gebaseerd op Griekse modellen. ○ Poëzie met elementen van propaganda, zoals lof voor Augustus’ overwinning en beleid. Propaganda en loyaliteit Dichters schreven ter ere van Augustus, wat moderne lezers als propaganda zien. Binnen de Grieks-Romeinse traditie was lofpoëzie echter gebruikelijk, zoals eerder bij Pindaros en Alexandrijnse hofpoëzie. Vroeg Werk van Horatius en Vergilius Context van politieke onrust De moord op Julius Caesar (44 v.Chr.) en de machtsstrijd binnen het tweede triumviraat (Octavianus, Antonius, Lepidus) beïnvloedden het vroege werk van Vergilius en Horatius. Vergilius’ Bucolica (Eclogae) Kenmerken: ○ Tien pastorale gedichten geïnspireerd door Theokritos, met Romeinse invloeden. ○ Bespreekt politieke thema’s via een idyllische setting. Voorbeelden van politieke verwijzingen: ○ Landonteigeningen na Philippi (42 v.Chr.) beïnvloeden herder Meliboeus in het eerste gedicht. ○ Ecloga 4 voorspelt een nieuwe gouden tijd, geïnterpreteerd als verwijzing naar een Romeins kind of, later, Jezus. Horatius’ Epoden en Satiren (Boek 1) Epoden: ○ Scherpe kritiek op maatschappelijke en politieke problemen. ○ Epode 16 klaagt de burgeroorlogen aan die Rome vernietigen. Satiren: ○ Satirische hexametergedichten met humor en zelfreflectie. ○ Voorbeeld: Reis naar Brundisium (Satire 5), waarin een diplomatieke missie wordt beschreven tussen alledaagse ongemakken. Na Actium: Vergilius en Horatius Horatius’ latere werk Oden (23 v.Chr.): ○ Geïnspireerd door Griekse lyrici, met beroemde uitspraken zoals carpe diem en dulce et decorum est pro patria mori. ○ Ode 1.37 viert Cleopatra’s dood en Augustus’ overwinning. Brieven (rond 19 v.Chr.): ○ Filosofisch werk met reflecties op geluk en het leven, losjes gebaseerd op epicurisme. ○ Ars Poetica (ca. 10 v.Chr.) bespreekt poëzie en de rol van de dichter. Carmen saeculare (17 v.Chr.): ○ Hymne voor Augustus’ eeuwfeest, publiek voorgedragen. Vergilius’ latere werk Georgica (29 v.Chr.): ○ Leerdicht over landbouw met diepere thema’s zoals oorlog en wederopbouw. ○ Augustus wordt gepresenteerd als brenger van vrede en herstel. Aeneis: ○ Epos in twaalf boeken over Aeneas, een voorouder van Augustus. ○ Parallel tussen Aeneas’ reis en Augustus’ heerschappij. ○ Dualiteit: lof voor Augustus, maar ook tragische kosten van oorlog en macht. Ovidius: Genrevernieuwer en Mythenverteller Elegische experimenten Diversiteit: ○ Liefdeskunst en Remedies tegen de liefde behandelen liefde met humor en praktische tips. ○ Metamorfosen: Vijftien boeken over mythische transformaties, met centrale thema’s van verandering en tragiek. Verbanning (8 n.Chr.): ○ Verloor Augustus’ gunst, mogelijk door Liefdeskunst en schreef klaagzangen zoals Tristia. Proza: Livius en Augustus Livius’ Ab Urbe Condita Geschiedenis van Rome in 142 boeken, met focus op morele lessen uit de vroege geschiedenis. Populariteit: detailrijke verhalen over mythologische en historische figuren zoals Romulus en Hannibal. Augustus’ Res Gestae Autobiografisch verslag van Augustus’ prestaties, bedoeld als propaganda om zijn nalatenschap te legitimeren. Gepresenteerd als feitelijk, maar politiek geladen. Conclusies: Het Augusteïsche Tijdperk Literaire bloei en politieke invloed: ○ Mecenaat en Augustus’ culturele programma stimuleerden vernieuwingen in poëzie en proza. Dubbele boodschap: ○ Werken zoals de Aeneis verheerlijken Augustus, maar tonen ook de tragiek en kosten van macht. Unieke nalatenschap: ○ Het augusteïsche tijdperk combineert artistieke verfijning met politieke context en blijft een hoogtepunt van Latijnse literatuur. Het verhaal van Appolonius Het Begin in Antiochië: Antiochus, Zijn Dochter, en Het Raadsel Koning Antiochus regeert over Antiochië en ontwikkelt een ziekelijke begeerte voor zijn prachtige dochter. Hij misbruikt haar en probeert zijn zonde te verbergen. Hij stelt een raadsel voor huwelijkskandidaten: wie het oplost, mag trouwen; wie faalt, wordt onthoofd. Echter, ook succesvolle kandidaten worden stiekem vermoord om zijn geheim te bewaren. Apollonius van Tyrus, een jonge en rijke edelman, ontrafelt het raadsel dat Antiochus' incestuele misdaad onthult. Uit angst probeert Antiochus Apollonius te laten vermoorden. De Vlucht van Apollonius Apollonius keert snel terug naar Tyrus, bereidt schepen met goud, graan en volgelingen voor, en vlucht 's nachts. Antiochus stuurt een huurmoordenaar, Thaliarchus, achter hem aan, maar die komt te laat. Apollonius vindt onderdak in Tarsus, waar hij de bevolking redt van een hongersnood door een grote hoeveelheid graan te schenken. Hij wordt geëerd met een standbeeld. Scheepsramp en Nieuwe Liefde in Cyrene Tijdens een reis naar de Vijf Steden lijdt Apollonius schipbreuk. Naakt spoelt hij aan op de kust, waar een visser hem eten en kleding geeft. In Cyrene valt hij op door zijn sportieve, muzikale en intellectuele vaardigheden. Koning Archistrates en zijn dochter raken van hem onder de indruk. De dochter wordt verliefd op Apollonius en weigert andere huwelijkskandidaten. Ze bekent haar gevoelens aan haar vader, die hun huwelijk toestaat. Apollonius en zijn vrouw zijn gelukkig, en zij raakt zwanger. Tragedie op Zee: De Schijndood van Zijn Vrouw Tijdens een storm bevalt Apollonius’ vrouw, maar ze lijkt te sterven. Tegen advies van de stuurman weigert Apollonius haar lichaam in zee te werpen. Hij plaatst haar in een versierde, waterdichte grafkist met sieraden, 20.000 sestertiën goud, en een schrijftafeltje met zijn wensen. De kist spoelt aan in Efeze, waar een dokter haar leven redt. Ze wordt priesteres in de tempel van Diana, terwijl Apollonius verder reist met hun dochter Tarsia. Tarsia’s Opvoeding en Het Verraad in Tarsus Apollonius vertrouwt Tarsia toe aan Stranguillio en Dionysias in Tarsus, met een belofte dat hij pas terugkeert als zij gehuwd is. Tarsia groeit op als een slim en beleefd meisje. Wanneer de burgers van Tarsus Tarsia prijzen en Dionysias’ dochter verachten, wordt Dionysias jaloers. Ze plant Tarsia’s moord. Theophilus, een dienaar, krijgt de opdracht haar bij het graf van haar voedster te doden, maar hij aarzelt. Piraten vallen aan en ontvoeren Tarsia voordat de moord plaatsvindt. Tarsia in Mytilene: Van Bordeel tot Bekendheid Tarsia wordt verkocht aan een souteneur die haar in een bordeel plaatst. Hij biedt haar maagdelijkheid aan voor goud. Athenagoras, de vorst van Mytilene, ontmoet Tarsia en raakt geraakt door haar tragische verhaal. Hij moedigt haar aan om haar lot te veranderen. Tarsia gebruikt haar welsprekendheid om klanten te ontroeren en behoudt haar maagdelijkheid. Ze verdient veel geld en wordt een beroemdheid in Mytilene dankzij haar kunstzinnigheid en intellect. De Hereniging met Apollonius Na 14 jaar arriveert Apollonius in Mytilene, nog steeds in rouw om zijn vrouw en verloren dochter. Athenagoras stuurt Tarsia om hem te troosten. Tarsia vertelt Apollonius haar levensverhaal en daagt hem uit met raadsels. Apollonius beseft uiteindelijk dat zij zijn dochter is, wat leidt tot een emotionele hereniging. De stad straft de souteneur met de dood, en Tarsia schenkt vrijlating aan de meisjes van het bordeel. Ze trouwt met Athenagoras. De Ontknoping in Efeze: De Vrouw van Apollonius In een droom wordt Apollonius opgedragen naar de tempel van Diana in Efeze te reizen. Daar ontmoet hij de hoogste priesteres, die zijn verloren gewaande vrouw blijkt te zijn. Na een emotionele hereniging met zijn vrouw en dochter, keert het gezin terug naar Tarsus. Wraak en Verlossing in Tarsus In Tarsus confronteert Apollonius Stranguillio en Dionysias met hun verraad. Na een openbaar proces worden zij gestenigd. Apollonius schenkt genade aan Theophilus en belooft herstelprojecten in Tarsus. Slot: Geluk, Erkenning en Nalatenschap Apollonius regeert als koning over Antiochië, Tyrus en Cyrene. Hij belooft eerdere weldoeners zoals de visser rijkelijke beloningen. Hij en zijn vrouw krijgen een zoon, die zijn rijk zal erven. Apollonius leeft gelukkig en sterft op hoge leeftijd, omringd door zijn familie, terwijl zijn nalatenschap voortleeft in vrede en rechtvaardigheid. Zelfstandige lectuur …