H13 ALPSY PDF - Hoofdstuk 13: Psychopathologie
Document Details

Uploaded by AmpleMotif4563
Tags
Related
- Psychopathology: An Integrative Approach to Mental Disorders Ninth Edition PDF
- Psychopathology: An Integrative Approach to Mental Disorders (2023) PDF
- Psychopathology: Understanding Mental Disorders PDF
- Midterm Practice Quiz - Psychopathology & Mental Disorders PDF
- Psychology: Defining Mental Disorders PDF
- Psychopathology: Mental Disorders - Overview, Etiology, and Treatment - PDF
Summary
This document provides an overview of psychopathology, detailing what constitutes a mental disorder and outlining the criteria used to diagnose them. Different perspectives on mental disorders are explored, including biological, psychological, and social factors.
Full Transcript
HOOFDSTUK 13: PSYCHOPATHOLOGIE 1. WAT ZIJN MENTALE STOORNISSEN? mentale stoornis = patroon v/ gedachten, gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk lijden & een significante daling in sociale & arbeidsgerelateerde functioneren psychopathologie= wetenschap v/d aard, totstandkoming, behandeling &...
HOOFDSTUK 13: PSYCHOPATHOLOGIE 1. WAT ZIJN MENTALE STOORNISSEN? mentale stoornis = patroon v/ gedachten, gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk lijden & een significante daling in sociale & arbeidsgerelateerde functioneren psychopathologie= wetenschap v/d aard, totstandkoming, behandeling & preventie v/ mentale stoornissen → interdisciplinair (ψ, farmacologie, psychiatrie, neurowetenschappen,...) → veel misverstanden 3 criteria stemmingswisselingen, energieloos zijn, etc ≠ weken in bed door depressie → hoe bepalen we dan een stoornis? exclusieve criteria quasi onmogelijk, maar wel 3 niet-sluitende criteria: 1. Statistisch criterium: - menselijke eigenschappen komen overeen m/ normaalverdeling - vb.: IQ - grote afwijking v/d norm = + 2SD of - 2SD 2. Sociale criterium: - overtreden sociale norm - hinderlijk, onbegrijpelijk, schadelijk gedrag - culturele ≠ en veranderlijk - tot 1973 APA: homosexualiteit = mentale stoornis 3. Persoonlijke criterium: - persoonlijk lijden: - gevolgen v/ gedrag, gedachten en gevoelens voor persoon zelf - belemmering voor functioneren, e.g. depressive, sociale angst - niet sluitend, e.g. antisociale persoonlijkheid (~psychopaten) Determinanten van mentale stoornissen → vormen triade - aparte disciplines: te veel nadruk deelaspect - vb. psychiaters, sociologen, bepaalde klinische stromingen... - belang bepaald aspect ~ specifieke mentale stoornis 119 BIOLOGISCHE FACTOREN - eeuwenoud perspectief: mentale stoornissen komen uit lichamelijke dysfuncties - vb.: hysterie – hustera (baarmoeder) - afname middeleeuwen → toename 20e eeuw - ontdekking geneesmiddelen + werking hersenen - ontdekken biologische oorzaak → behandeling - epilepsie: kwade geest → neuronen vuren ongecontroleerd - exclusief-medische behandeling - psycholoog kan het niet ‘genezen’, enkel over praten - maagzweren: stress → bacteriële infectie (Nobelprijs 2005) - erfelijkheid (depressie, aanleg verslaving, schizofrenie PSYCHISCHE FACTOREN - abnormaal gedrag ~ mentale processen - Charcot, vanaf eind 19e eeuw: - ‘zwak neurologisch systeem’: via geest lichaam beïnvloeden - hysterie → lichamelijke symptomen - hypnose → verlamming - demonstraties in colleges - Freud: - veralgemening: alle stoornissen psychische oorsprong - psychosexuele conflicten kindertijd - psychoanalyse lang dominant - nog steeds in hedendaagse psychiatrie! 3 benaderingen naast Freuds psychoanalyse: humanistische = stoornis door belemmerde ontplooiing benadering - praten binnen aanvaardende en ondersteunende omgeving → spontaan herstel behavioristische = verkeerde leerprocessen benadering - verbetering gedrag door nieuwe leerprocessen (fobieën!) - Geen stoornis maar gedragsprobleem cognitieve = irrationele en onaangepaste overtuigingen benadering - vb. depressie: perceptie gebeurtenissen & impact op gedrag - leren om cognities te veranderen - foute overtuigingen ⇒ stemmingsstoornissen door foute zelfbeeld - cognitieve neuropsychiatrie: aantasting cognitieve processen door mentale stoornis 120 SOCIALE FACTOREN - abnormaal gedrag = gedrag afwijkend sociaal criterium - vb.: auditieve hallucinaties: - stemmen goden (Grieken); - hekserij (middeleeuwen ~ demonologisch perspectief); - schizofrenie (nu) - ’60 – ’70: nieuwe stroming: antipsychiatrie - relativisme: waarom zijn bep. afwijkingen stoornissen? - vb.: homoseksualiteit - belangrijke figuren: Thomas Szasz & Rosenhan - voordelen v/d antipsychiatrische beweging: - betere rechten voor psychiatrische patiënten → Thomas Szasz: “No behavior is a disease, mental illness is a myth” - men gebruikt diagnoses om mensen te stigmatiseren - vb.: drapetomanie: zwarte slaven die vluchten voor vrijheid → gezien als stoornis wanneer dat niet is, enkel om slaven te controleren - gedrag ≠ stoornis - vb.: ADHD gaat ook tegen de normen → betekent dat dan dat persoon ziekte heeft? → Rosenhan, 1973: “On being sane in insane places” - experiment: - 8 gezonde mensen aanmelden m/ klachten over “stemmen/geluiden horen” - krijgen schizofrenie diagnose - andere patiënten hebben het vaak WEL door - kritiek: “volgende keer dat je fake patiënten stuur, zullen we het door hebben - volgende keer zeggen ze dat er 41 fake patiënten zijn ⇒ Rosenhan had geen fake, maar allemaal echte patiënten gestuurd - verdere evidentie voor sociaal perspectief: - cultuurafh. wanen: - Azië & Afrika: koro (inverted penis) - spaanse/latino landen: ataques de nervios - nu minder godsdienstige thema’s - kerk is minder v/ belang - diagnostische labels hebben negatief effect: - anders gedragen t.o.v. persoon m/ stoornis - Moeilijker om na behandeling weer normaal te functioneren - + verhoogde kans terugval - kans op psychopathologie door … : - socio-economische factoren - vb.: stresserende leefomstandigheden - sociale factoren - vb.: kindermisbruik 121 synthese: diathese-stress model - Dominante denkkader psychopathologie - Kans op pathologie afhankelijk van … : 1. kwetsbaarheid (diathese) - erfelijkheid (bio) - denkstijlen, cognitie (psycho) - leefomstandigheden (sociaal) 2. stress - veroorzaakt door gebeurtenissen + manier waarop men reageert - vb.: extreme situaties → zeer hoge kans op pathologie (PTSS) ⇒ interactie biologie, psychische factoren & socio-culturele context - 1 v/d variabele is niet goed genoeg voor stoornis - diathese EN stress moeten beiden aanwezig zijn Mentale stoornissen classificeren: de DSM - DSM = diagnostic and statistical manual of mental disorders (1952) - uitgeverij: APA: American Psychiatric Association - diagnose als richtlijn voor de behandeling (behandeling zelf niet in DSM) - betrouwbaarheid & validiteit - vb.: verschillende beoordelaars → zelfde diagnose DSM I-II: vertrekkend vanuit theorie (psychoanalyse) - inzicht in oorsprong, verloop en prognose stoornissen - beperkt # stoornissen DSM III, IV & V: - psychoanalytische concepten + oorsprong stoornissen worden geschrapt - operationele definities: droge, accurate beschrijving v/ symptomen - subjectieve element daalt - grote interbeoordelaarsbetrouwbaarheid - overal zelfde diagnose DSM IV: 5 assen/dimensies 1) Welke klinische stoornis verstoort leven & geeft aanleiding tot diagnose & behandeling 2) Stabiele, rigide, interactiepatronen die functioneren en sociale interactie verstoren → stabiele persoonlijkheidsverschillen 3) Lichamelijke symptomen 4) Psychosociale en omgeving gerelateerde stressfactoren 5) Global Assessement of Functioning (= getal) nu en gedurende het voorbije jaar problematiek: moeilijk onderscheid tussen as 1 en 2 + je hebt een symptoom of je hebt het niet 122 DSM V: 2013 - assen verdwijnen → 22 groepen stoornissen, wij zien er 7 - graduele scoring v/ symptomen - pro: inschatting v/ ernst - con: gevaar op overdiagnosticering - nieuwe stoornissen: goed, maar ook veel ophef - discussie rond “premenstrual dysphoric disorder” - stoornissen die verdwijnen: Asperger, narcisme,… - enkel mentale stoornis indien geen lichamelijke of sociale contra-indicaties Kritiek op DSM - medisch model: ziet stoornis als ziekte - psychiatrische visie clasht m/ Ψ : gedragsprobleem ≠ ziekte - belang psychische en sociale - beschrijvend, maar geen theoretische basis - typologie - ‘hokjes’ - niet altijd duidelijk/kwalitatief verschillen (grensgevallen, comorbiditeit) - Maatschappelijke gevolgen - opnemen van stoornis in DSM → sterkere toename diagnoses - aanvaardbaar storend gedrag → stoornis (‘staat in de DSM’) - Gedrag te snel pathologisch - vb.: “andere condities die klinische aandacht verdienen” - vb.: “andere gespecificeerde depressiestoornissen” - vb.: premenstruele dysfore stoornis - bijsturing noodzakelijk - a.d.h.v. wetenschappelijke & maatschappelijke inzichten → maar, tot op heden meest gebruikte diagnostisch systeem, dus belangrijk te kennen 2. STOORNISSEN IN DE KINDERLEEFTIJD - Vroeger: - kindertijd: relatief weinig problemen - Nu - Aandacht voor ernstige emotionele- en gedragsproblemen → 1/7 lijdt aan stoornis! 123 Autismespectrumstoornis (ASS) = ontwikkelingsstoornis, gekenmerkt door: - sociaal-communicatieve beperkingen - repetitief gedrag - overdreven interesses - grote variatie in ernst symptomen → spectrumstoornis - uit zich als: - Verminderd contact - niet socialiseren - Verminderd medeleven - geen sympathie bij anderen ongelukkig - Verminderd interpersoonlijk inzicht - niet zien wanneer anderen met hen lachen - Zich niet houden aan sociale gewoontes - verschil tss vrienden & vreemden - Alles moet gelijk blijven - slecht omgaan met plotse veranderingen - Sensorische stimulatie & stereotiep motorisch gedrag - drang om rare, vlugge bewegingen te maken sociaal-communicatieve beperkingen - geen effect v/h krijgen v/ aandacht (zitten in eigen wereldje) - geen waardering voor gezichten en oogcontact - moeite m/ delen (normaal vanaf 1 jaar delen) - theory of mind: het kunnen verplaatsen in standpunt van anderen - 80% v/ autisten probleem - vb.: Maxi pop: popje verstop chocolade terwijl een andere pop weg is, → kind denkt: “pop stukje zal vinden omdat IK weet waar het verstopt is” - ontbreken van symbolisch spel (rollenspelen) repetitief gedrag & interesses - behoefte aan structuur, herhaling en vaste ritmen ⇒ opgaan in monotone eenvoudige handelingen - verstoring v/ rituelen kan angst/woede uitlokken - vb.: tijdstip maaltijd veranderen - voorbereiding/omkadering nodig prevalentie: - 0,7% v/d populatie, M > V (tot x3-4 meer!) - grotendeels erfelijk 124 Vroege diagnose (peutertijd) mogelijk? - belangrijk om ernst problemen te verzachten - sociale problemen echter vaak pas op kleuterleeftijd - Larsen et al, Noors OZ : 6 kenmerkende symptomen - vervolgOZ: beoordelingen v/ deze symptomen - ouders – opvoeders – klinisch onderzoek - lage correlaties - conclusie: gedrag peuters te variabel voor valide uitspraken ⇒ enkel in zeer ernstige gevallen vroeg detecteerbaar relatie m/ intellectuele vaardigheden: - Problemen communicatie en taal - 20% kinderen komt nooit tot spreken - Belangrijk percentage intellectuele achterstand, maar geen verband IQ-ASS - Ook ASS m/ hoog IQ → extreme feitenkennis over onderwerp - Intellectuele vertraging → enkel ASS diagnose indien sociale beperking groter dan verwacht o.b.v. IQ Hypothesen over oorzaak: 1. slecht ontwikkelde - experimenten theory-of-mind - blijvend moeilijk bij ASS - maar bij ASS-adolescenten WEL even goed als controlegroep → door compensatietechnieken? 2. slecht functionerende - nodig voor aandacht, wisselen tss taken, inhibitie executieve functies - ASS kinderen < controlegroep: ook WG capaciteit is kleiner → maar weinig evidentie in replicaties! 3. gebrekkige sensitiviteit - te kleine gevoeligheid → stimuli te laat opmerken voor prikkels - te grote gevoeligheid → stimuli versterkt, hindert functioneren - Echter geen 1-op-1 relatie sensorische deficits en ASS 4. verkeerd gebruik v/ - menselijke geest verwerkt informatie door te voorspellen voorspellingen + voorspelling testen - H4 visuele waarneming: top-down voorspelling van wat we zien - ASS: slecht omgaan m/ afwijking tss verwachting & ervaring ⇒ voor verarmde, stabiele, voorspelbare omgeving kiezen 5. biologische factoren - Blootstelling aan valproïnezuur tijdens zwangerschap (medicatie epilepsie) → Verhoogde kans ASS - geneesmiddel zou activiteit inhiberende neurotransmitter (GABA) verhogen - verder OZ nodig 125 3. AAN EEN MIDDEL GEBONDEN STOORNISSEN = psychoactief middel die zorgt voor problemen m/: - gezondheid + sociaal & professioneel functioneren → DSM V: 10 middelen die voor zulke stoornissen kunnen zorgen Stoornis in alcoholgebruik = problematisch patroon alcoholgebruik leidend tot klinisch significante functioneringsbeperking, aangetoond door minstens 2 kenmerken gedurende 12m tekenen: - grote hoeveelheden en voor langere - activiteiten worden stopgezet door tijd dan gepland gebruik - verlangen of mislukte stoppogingen - gebruik bij lichamelijk gevaar - veel tijd besteed aan middel - blijvend gebruik ondanks terugkerend - sterke drang tot consumptie lichamelijk of psychisch probleem - herhaaldelijk gebruik → mislopen - tolerantie: meer of minder effect verplichtingen - ontwenningsverschijnselen en gebruik - blijvend gebruik ondanks problemen om die te vermijden → alcoholintoxicatie/dronkenschap = kortdurend problematisch gedrag na inname alcohol = meest frequent middel gebonden stoornis: - prevalentie: 8% in BE & NL - M (14,5%) > V (2,9%) (! X5) - speelt vaak rol bij sterfgevallen, geweld, verkeersdoden - langdurig gebruik → schade aan organen - prognose LT: - mensen die hulp zoeken: - ⅓ abstinent – ⅓ blijft drinken – ⅓ sterft binnen 10j - algemene bevolking: ⅓-¼ na 3j nog verslaafd → meerderheid stopt (tijdelijk?) oorzaken: - zelf-rapportering: stressreductie - erfelijkheid (1/3) (e.g. reactiviteit → tolerantie, afhankelijkheid ) - Experiment jongeren: lichte vs zware drinkers: effect op reactiviteit - 6j later: minst last van sloomheid ~meeste symptomen stoornis - gezinsomstandigheden (1/3) - vb. alcoholmisbruik dr opvoeders - beschikbaarheid - heeft invloed op hoe vaak/veel persoon zal drinken - leerprocessen (cognitie) (1/3) - positieve bekrachtiging door aangename gevolgen - smaak, lichamelijke gevolgen, symbolische betekenis (vb. erbij horen) - klassieke conditionering ~ gemoedstoestand, context + alcohol - observerend leren: meer in gezelschap 126 culturele verschillen - lagere cijfers voor Moslimmen vs Ieren/Belgen/Nederlanders Diathese-stress - ouders & vrienden die verstandig omgaan m/ alcohol = beschermende factor: - vooral bij genetische kwetsbaarheid - je leert aan om ook voorzichtig te zijn Andere middelen → TL;DR: M>V, buiten voor slaapmiddelen! (aangeduide cijfers te kennen voor examen :)) 4. PSYCHOTISCHE STOORNISSEN - Bleuler, 1911: schizo-frenie (gespleten geest) - incoherente mentale processen - gebrek voeling sociale realiteit - opgelet!: schizofrenie ≠ gespleten persoonlijkheid! → correcte term: dissociatieve identiteitsstoornis (DIS/DID) Schizofrenie - prevalentie: - M > V (x1.3), 0.5% - 1% in populatie - mannen meestal begin tss 15-25j - vrouwen meestal begin tss 25-35j - zelfde cijfers doorheen culturen - 40% opnames in psychiatrie zijn voor schizofrenie DSM: +2 symptomen die elk gedurende 1 maand belangrijk deel v/d tijd aanwezig zijn → mogelijke symptomen: - wanen - ernstig chaotisch of katatoon gedrag - hallucinaties - vervlakking van affect, armoede van - onsamenhangende spraak spraak en gedachten, of apathie 127 wanen = gehandhaafde overtuiging ondanks bewijs tegendeel - 73% verkeerde identificatie - vb. Capgraswaan: kennissen vervangen door doppelgängers - 63% betrekkingswaan - normale voorwerpen/gedragingen v/ anderen hebben bijzondere betekenis - 50% beïnvloedingswaan - overtuiging niet meer uit vrije wil te kunnen handelen - 22% overtuiging dat gedachten uitgezonden worden - Achtervolgingswaan - samenzwering - grootheidswaan - denken dat belangrijk iemand verliefd is op hun - denken dat ze goddelijke opdracht hebben gekregen → hardnekkigheid wanen: - geen andere mogelijkheid om interne ervaringen plek te geven - stemmen, perceptuele ervaringen - verminderde cognitieve vermogens → niet kritisch denken over eigen functioneren - geen alternatieve verklaringen genereren & overwegen - meest voor de hand liggende verklaring = te bedreigend (‘ik word gek’) → patiënten gaan waanwereld verkiezen hallucinaties = perceptuele ervaringen zonder fysische stimulus - stemmen geven negatieve commentaar - overgevoeligheid voor externe stimulatie - vermenging met wanen: verliezen contact met werkelijkheid onsamenhangend denken & spraak (zie vb. p.653) - semantische & syntactische regels toepassen lukt WEL - van de hak op de tak chaotisch of katatoon gedrag afwisseling prikkelbaarheid - onvoorspelbaar gedrag m/ passiviteit, apathie maar tegelijk ook agressie affectvervlakking - gezicht & stem tonen weinig emotie 128 positieve symptomen negatieve symptomen = zaken die in het echt NIET aanwezig zijn, = zaken die in het echt WEL aanwezig zijn, maar WEL in waanwereld maar NIET/MINDER in waanwereld → acuut → geleidelijk - abnormale activiteit limbisch systeem - abnormale activiteit frontale lobben - goede reactie op antipsychotische - geen goede reactie op middelen antipsychotische middelen oorzaken schizofrenie 1. biologische factoren: - sterk erfelijke component: 50% kans bij eeneiige tweelingen - werkzaamheid geneesmiddelen verklaarbaar door dopaminehypothese: - te hoge concentratie of gevoeligheid voor dopamine → regulatie nodig - dopamine aanwezig in … : - limbisch systeem: emoties - frontale cortex: controle - subcorticale systemen (basale ganglia): controle beweging - vooral voor positieve symptomen - complexe ontregeling dopaminesysteem ipv overgevoeligheid mogelijk ook verklaring voor negatieve symptomen 2. psychische factoren: psychoanalyse behaviorisme regressie naar infantie stadium uit de hand gelopen bekrachtigingsproces o.b.v. aandacht die gedrag trok → nu: weinig impact psychische factoren → wel: omgaan m/ ziekte/beperkingen - vb.: wanen, hallucinaties: diepgaande invloed, ook na acute fase - enkel medische behandeling = slecht voorbereid op herval! - psycho-educatie nodig! - patiënt + omgeving informeren over schizofrenie - voorbereiden op herval - etc 3. sociale factoren: → 4 in totaal: - trauma’s in kindertijd (mishandeling, natuurramp, verwaarlozing) - urbanisatiegraad: schizofrenie cijfers 2x zo groot in steden - minderheidsgroep - chronische stress door sociale discriminatie & wantrouwen - gebruik drugs, vooral cannabis - psychotische episodes lokken schizofrenie uit → idem debat als “kip of ei?” 129 - overige sociale invloeden - expressed emotion (dubbele kans op herval!) - hoge spanningen tss gezien & patiënt door overbezorgde gezin - vals gevoel v/ controle bij betrokkene: in realiteit niet controleerbaar - “...ik zeg tegen hem: zit stil, je maakt me gek. Heen en weer, heen en weer. Ik zeg: haal eens diep adem en ontspan je...” → vooral voor negatieve symptomen - positieve symptomen: - aanvaarding geen ‘controle’ over manifestatie symptomen - cultuur (vb. koro) - tijdskader (e.g. religieus geïnspireerde wanen in ME) 5. STEMMINGSSTOORNISSEN = ernstige verstoringen die leiden tot buitensporige neerslachtigheid of opgetogenheid - veranderingen in: - denken - eet- en slaappatroon - sociale en professionele relaties - verschillen in duur/ernst - mét of zonder manische periodes - vb.: bipolaire stoornis Bipolaire stoornis = opeenvolging één of meerdere manische en depressieve episodes bij eenzelfde individu → persoon heeft zelf weinig ziektebesef! manische episode: toestand v/ intense & onrealistische gevoelens v/ opwinding en euforie - grote verschillen in ernst mogelijk - sterk geluksgevoel, optimisme vs - weinig slaap, opdringering in sociale contacten, verhoogde seksuele drang - verkwisting - gevaarlijk gedrag - soms neveneffect v/ medicatie voor depressie - groot energievebruik → mondt uit in depressie episode - verklaring voor de hoge highs & lage lows Majeure depressiestoornis =somberheid, neerslachtigheid zorgen voor interferentie v/ functioneren - occasionele depressieve periode soms adaptief: - verlies werk, dood van een naaste,... - bestaande problemen verhelderen, besluiten nemen 130 DSM: +5 symptomen aanwezig binnen 2w & interferentie m/ eerdere functioneren → eerste 2 symptomen MOETEN aanwezig zijn! → mogelijke symptomen: - depressieve stemming gedurende - psychomotorische agitatie of grootste deel van de dag, (bijna) remming elke dag - gevoelens van waardeloosheid, - vermindering interesse of plezier in zelfverwijten of schuldgevoel (bijna) alle activiteiten gedurende - verminderd vermogen tot grootste nadenken/concentratie, - deel van de dag, (bijna) elke dag besluiteloosheid - duidelijke gewichtsverandering - terugkerende gedachte dood/suïcide - verandering slaappatroon → symptomen: emotioneel + motivationeel + cognitief - traagheid, meer moeite concentratie, overweldigd door negatieve gedachten - zelfverwijten + kwaadheid naar anderen - verlies aan motivatie om situatie te veranderen ook wel “verkoudheid v/d geestesziekten” genoemd door frequentie: - >10%: depressieve gevoelens in laatste 12m - 5% M en 9% V laat zich behandelen - risicogroepen: - zich isolerende mannen - werklozen - gescheiden moeders - studenten oorzaken majeure depressiestoornis 1. biologische factoren - concordantiegraad ééneiige 2lingen: 40% - broers/zussen: 17% - noradrenaline daalt - i.t.t manie: dopamine & noradrenaline stijgen - SSRIs (selective serotonin reuptake inhbitor) - helpen bij activiteit v/ neuronen die reageren op serotonine → door serotonine langer in lichaam te houden - vaak lichtzinning voorgeschreven; je mag niet abrupt stoppen! - klinisch effect is pas na 2 weken waarneembaar - vb.: Prozac - revolutionair, maar kritiek dat het miss juist mensen ging aanzetten tot suicide ⇒ geen evidentie, productie ging door 131 2. Psychische factoren - rouwend individu regresseert naar het orale stadium en Freud introjecteert de verloren persoon, zodat hij/zij dezelfde gevoelens (psychoseksuele ervaart tov zichzelf als tov verloren persoon. stadia) - depressie = ingebeeld/symbolisch verlies m/ naar binnen gerichte agressie - verminderde positieve bekrachtiging Lewinsohn - vb. bij verlies werk; (leerpsychologie) → geen motivatie om beter te presteren - vicieuze cirkel met teruggetrokkenheid - gevoel geen controle te hebben over gebeurtenissen om zich - motivationele deficieten: - geen poging situatie veranderen Seligman - cognitieve deficieten: (aangeleerde - negatieve gedachten interferen m/ cognitie en hulpeloosheid) mogelijkheden tot oplossingen - emotionele deficieten: - passief, neerslachtig → impact op houding/gezichtsuitdrukking Beck depressie = gevolg negatieve/dysfunctionele gedachten, voortkomend (cognitieve uit sociale interacties kindertijd/adolescentie psychologie) - maken deel uit van diathesis - soms jaren sluimerend - interactie stress - Beck Depression Inventory (lijstje) - neigen tot piekeren - focus op gevoelens en lichamelijke symptomen - V: piekeren ↗ & ontsnappingsgedrag ↘ - M: piekeren ↘ & ontsnappingsgedrag ↗ → verdere ontwikkelingen bij Seligman: - oncontroleerbare gebeurtenissen leiden niet steeds tot depressie? - verklaring: attributies bepalen of iets tot depressie zal lijden - intern/extern - vb.: mijn buis was mijn schuld/mijn prof is te streng! - globaal/specifiek - vb.: iedereen vond het moeilijk/ik ben die het moeilijk heeft - stabiel/veranderbaar - vb.: ik faal altijd voor dit vak/ik ben enkel gefaald omdat ik naar dat feestje ging en niet had gestudeerd, anders lukt het me wel ⇒ interne, globale, stabiele attributie= depressie 132 3. Sociale factoren → depressie als reactie op stresserende gebeurtenis: 65% ingrijpende - levensverandering (6m) - V > M: verklaring: - mishandeling, misbruik, etc. hoger bij V - snellere diagnose door artsen bij zelfde symptomen als M! - depressie: hebben v/e partner - meer gelukkig als je gehuwd bent - gescheiden & partner = gescheiden & geen partner - +60j V: vaker depressieve klachten wegens alleen zijn - vrouwen leven gemiddeld langer dan partner - depressie: hebben v/ werk - werkloos > werkhebbend - werklozen hebben geen bezigheden ⇒ voelen zich onnnutig - ↗ ernst klachten indien werkloos - grotere variatie tss jongeren dan ouderen - V > M, zelfde redenen als heirvoor Oorzaken v/ depressie diathese-stress model: - kwetsbaarheid - biologische factoren - vb. serotonine - psychische factoren - vb. negatieve overtuigingen, attributies - stress - sociale problemen - vb. scheiding 6. ANGSTSTOORNISSEN EN OBSESSIEVE-COMPULSIEVE STOORNISSEN Angststoornissen adaptieve angst: angst voor reële mogelijkheden vs pathologische angst: angst voor mogelijkheden, die wel onwaarschijnlijk zijn ⇒ a.k.a. angststoornis: ernstige en aanhoudende vorm van angst zonder realistische aanleiding - ziektebesef - persoonlijk lijden - interferentie functioneren 133 Fobieën specifieke fobieën = intense angstreacties op voorwerpen/activiteiten→ reactie niet in verhouding tot (reëel) gevaar - klassieke conditionering: NS ⇒ schrikreactie - vb. auto na ongeval: bang v/ alle auto’s door schrik voor ongeval - observerend leren - vooral bij biologische predisposities - vb. hoogtevrees: geldige reden voor angst want als je valt, sterf je - vermijdingsreactie → negatief bekrachtigend - aandacht → positief bekrachtigend - succesvolle behandeling: conditionering - patiënt aanleren om GEEN angst te hebben Sociale angst DSM: vroeger: sociale fobie → nu: aparte categorie - niet specifiek/algemene angst voor: - negatieve beoordeling - om in verlegenheid gebracht te worden in sociale relaties - voorbeelden: - niet durven spreken voor publiek - niet durven eten/drinken - angst om onbeleefde geluiden te maken - !ernstig: geen vermijding mogelijk van sociaal contact - i.t.t. andere fobieën: spinnen, clowns, honden, etc → maladaptieve overtuigingen bij sociale angst: 134 Paniekstoornis = meerdere onverwachte paniekaanvallen zonder aanwijsbare oorzaak (over periode > 1m) - zorgen maken over kans op nieuwe aanval ( & gevolgen daarvan!) - vb.: ‘controle verliezen’, ‘gek worden’ - symptomen, gelijkend op hartaanval: - kortademigheid - bibberen - hartkloppingen - duizeligheid - zweten - onvoorspelbaar - grotere kans in stresssituaties ! - vb.: anticipatorische angst en agorafobie Obsessieve-compulsieve stoornissen (OCD) = terugkerende, ongewilde en opdringerige dwanggedachten of -beelden → obsessies - dwanghandelingen (compulsies) om dwanggedachten te neutraliseren (steeds intenser) - geen plezier, enkel angstreductie! prevalentie: - 2.5%, M = V - vooral adolescentie - vroege volwassenheid 4 groepen obsessies: 1. smetvrees - ziekte oplopen door ziektekiemen, vuil of andere mensen aanraken - schrik om anderen te besmetten 2. herhaalde twijfels - lichten, verwarming, strijkijzer,... uitgezet? Ramen/deuren toe? - allerhande zaken: heb ik het gedaan, en correct? 3. behoefte aan correctheid - juist uitgedrukt, niets kwetsend gezegd? - alles op precieze plek 4. angst om slecht mens te zijn - hulpelozen aanvallen - ongepast sociaal gedrag - schunnige uitspraken, vloeken, ongepaste seksuele handelingen Dwanghandelingen: - types: - poetsen (~smetvrees) - uitspreken tekst / reeks getallen - controleren (~herhaalde twijfel, -... correctheid) - handelingen # keer in bep. volgorde: - nemen groot deel tijd in beslag → meerdere uren/dag - wordt erger zonder behandeling 135 → ziektebesef, maar hebben geen controle - geraken hierdoor gefrustreerd! oorzaken (nog discussie over): - ontregeling hersencircuit primitieve gedragingen → gedrag automatisch opgang gebracht - agressie, seks, lichamelijke hygiëne - lichte geheugenproblemen - minder overzicht over eigen activiteiten → behoefte controle - obsessie nu en dan bij iedereen; vb.: stress - maar OCD: meer belang hechten aan obsessie - vb.: gedachten omzetten in daden - Dwanghandelingen in stand gehouden door negatieve bekrachtiging filmpje: behandelinge voor OCD: Deep Brain Stimulation - implantaat in hersenen die hersenen elektrisch stimuleren ⇒ verlost van dwanggedachten! - opgelet: - niet succesvol bij iedereen - kan leiden tot hersenschade - ook toepasbaar voor: dwangstoornis, depressie, eetstoornissen, Parkinson obsessie en compulsies naast OCD - lichaamsdysmorfiestoornis - preoccupatie m/ vermeende tekorten aan eigen uiterlijk - verzamelwoedestoornis - niets durven weggooien → hoarders - trichotillomanie - de aandrang om haren uit te trekken - excoriatie - aandrang om de huid te krabben 7. PREOCCUPATIE MET SOMATISCHE SYMPTOMEN DSM IV: somatoforme stoornissen - aandoeningen waarbij klachten en handicaps ervaren worden zonder - aanwijsbare lichamelijke oorzaak. - moeilijk afwezigheid lichamelijk symptoom te bewijzen - Vaak wel degelijk ongemak, maar overdreven psychische reactie DSM V: nieuwe stoornis → somatische symptoom stoornis - somatisch sympto(o)m(en) verstoren dagelijks leven - Excessieve gedachten, gevoelens of gedrag als reactie: - Buitensporig denken aan de ernst - Angst over gezondheid en symptomen 136 - Buitensporige tijd/energie aan symptomen of behandeling - Niet continu maar langdurig (> 6 maanden) - Met of zonder dominant pijngevoel - Niet geveinsd! - Somatisering van psychische problemen - Indien gericht op specifieke ziekte: angststoornis voor ziekte oorzaken - genetische/biologische kwetsbaarheid - vb. gevoeligheid voor pijn - traumatische ervaringen - aangeleerd gedrag - ziekte → aandacht - culturele normen - andere appreciatie lichamelijk vs psychische moeilijkheden Moeilijke grens! - vb.: CVS, burnout → psychosomatisch? → onderlinggende medische aandoening nog niet bekend? Conversiestoornis = bep. lichaamsdeel ‘werkt’ niet meer - niet geveinsd - wel secundaire ziektewinst - prevalentie: 1/1000 - meer diagnoses in WOI/WOII → nu vaker PTSS - PTSS (PTSD): - trauma herhaaldelijk herbeleven - negatieve emoties vermijden - voortdurend dreiging ervaren → overdreven alert, snel schrikken 8. DISSOCIATIEVE STOORNISSEN - verstoring identiteitsgevoel persoon - problemen m/ coping angst/stress: levensproblemen die over capaciteiten gaan - dissociatieve amnesie: amnesie belang. persoonlijke herinnering als gevolg v/ traumatische-stresserende ervaring - psychogeen - beperkt in tijd - volledig herstel - episodisch geheugen i.t.t. procedureel, semantisch, WG - soorten: - gelokaliseerd: niets meer uit bepaalde periode - Vaak selectief: sommige dingen vergeten - veralgemeend: volledige levensgeschiedenis (extreme zeldzaam) 137 dissociatieve fugue: - amnesie EN vertrek vertrouwde omgeving en aanname nieuwe identiteit - meestal slechts paar dagen dissociatieve identeitsstoornis (DIS/DID): - gastpersoonlijkheid + afsplitsing andere persoonlijkheid - tot eind 20e eeuw: 100 gevallen → explosie VS en EUR - Huntjes et al., OZ: test amnesie andere persoonlijkheid - ‘patiënten’, controles, ‘simulanten’ proactieve interferentie: niet volledig gescheiden → zelfs al wordt geen bewuste herinnering ervaren - geen effect vermoeidheid - ongerelateerde lijst B wel ok! → niet per se bewust; gelijkend op impliciet geheugen bij amnesie patiënten 9. SYMPTOOMGROEPEN IN PLAATS VAN STOORNISSEN DSM-typologie stoornissen = soort typologie: aandoeningen m/ eigen oorzaak, goed te onderscheiden - zoals genetische aandoeningen - vb.: ziekte van Huntington - genetische afwijking: je hebt het WEL of NIET - i.t.t. afwijkende bloeddruk - individuele verschillen in bloeddruk - bepaalde waarden problematisch → behandeling nodig - continue overgang wel en niet problematisch - te hoge bloeddruk kan verschillende oorzaken hebben - meerdere behandelingen uittesten → in realiteit: mentale stoornis ≈ afwijkende bloeddruk - classificatie DSM misleidend ⇒ moeilijk om juiste behandeling te vinden - teveel focus op verschillen ipv overeenkomsten - veel stoornissen nodig voor alle mogelijke varianten (300!) - comorbiditeit: 66% >1; 40% >3 - angst – depressie - alcoholafankelijkheid – schizofrenie - aan middel gebonden stoornis – schizofrenie, angst,... 138 HiTOP taxonomie = alternatieve benadering: - alle symptomen in 1 grote vragenlijst - Factoranalyse op resultaten - indien classificatie DSM=correct → weerspiegeld in factoranalyse ↳ i.t.t. realiteit: - alle symptomen correleren positief ⇒ gemeenschappelijke psychopathologiefactor - individuele verschillen in kwetsbaarheid pathologie - 6 factoren v/ symptomen internaliserende - treffen persoon zelf, minder zichtbaar problemen - verdriet, angst, eten, seksualiteit externaliserende - richten zich naar buiten, 2 subfactoren problemen - disinhibitie: ontremming door middelenstoornis - antagonisme: persoonlijkheidsstoornissen → problemen m/ interpersoonlijke relaties denkstoornissen - vb.: wanen, hallucinaties bij psychotische episodes somatoforme - lichamelijke klachten bij mentale stoornissen problemen onthechting - sociaal afstandelijk, emotionele afstomping →zoals schizofrenie Netwerken van symptomen recent alternatief: netwerkanalyse - vb. McNally et al., 2015: - Symptomen PTSD na aardbeving in kaart + onderlinge verhoudingen - “woede” als kern v/ probleem bij verhoogde PTSD klachten ⇒ beter richten op woede ipv emotionele afstomping 139 10. DE PREVALENTIE VAN MENTALE STOORNISSEN Prevalentie - Veel tegenstrijdigheden - definitie? - vb. misbruik: hoeveel eenheden zijn problematisch? - belang classificatieschema! - toch ruimte voor interpretatie - vb. belangrijk deel van de tijd → wat is dat juist? - incidentie (nieuwe gevallen) vs. prevalentie - incidentie: hoeveel nieuwe gevallen in 1 jaar? - prevalentie: hoevee gevallen op bep. moment? - tijdsperiode: 1j vs. levensloop - levensloopcijfers kunnen hoger zijn! overzichtsstudie: - 19-jarigen - 45% ooit stoornis - Helft daarvan in behandeling - som alle stoornissen > minstens 1 - comorbiditeit! - prevalentie stabiel laatste 30j - indien = definities - wel toename behandelingen geneesmiddelengebruik voor mentale stoornissen - laatste 24u? - 6% slaap- of kalmeringsmiddel - 5% antidepressiva en pijnstillers ⇒ Minstens 11%! - afgelopen jaar? - +/- 17% → prevalentiecijfers: 31% 12m (waarvan 50% problematisch) Aanvangsleeftijd - gelijkaardig doorheen culturen - aanvang v/ 50% v/d populatie: - angststoornissen: 15j - stemmingsstoornissen: 25j - aan middelen gebonden stoornissen: 20j 140