Inleiding Adolescentie (HS1)

Choose a study mode

Play Quiz
Study Flashcards
Spaced Repetition
Chat to Lesson

Podcast

Play an AI-generated podcast conversation about this lesson
Download our mobile app to listen on the go
Get App

Questions and Answers

In welke fase van Eriksons psychosociale ontwikkelingstheorie ontwikkelen individuen doorgaans het vermogen tot intimiteit, en welke uitdaging vormt de tegenpool hiervan?

  • Middelbare volwassenheid; Stagnatie
  • Adolescentie; Identiteitsverwarring
  • Late volwassenheid; Wanhoop
  • Vroege volwassenheid; Isolement (correct)

Welke van de volgende beweringen over het 'Dual Processing Model' van hersenontwikkeling tijdens de adolescentie is het meest accuraat?

  • De corticale gebieden, zoals de prefrontale cortex, ontwikkelen zich sneller dan de subcorticale gebieden, wat leidt tot impulsiviteit.
  • De subcorticale gebieden, zoals het limbisch systeem, ontwikkelen zich sneller dan de corticale gebieden, wat leidt tot een disbalans in emotionele regulatie. (correct)
  • Het model stelt dat er geen significante verschillen zijn in de ontwikkelingssnelheid van corticale en subcorticale gebieden tijdens de adolescentie.
  • De ontwikkeling van corticale en subcorticale gebieden verloopt synchroon, waardoor adolescenten optimaal in staat zijn tot rationele besluitvorming.

Hoe verschilt de benadering van autonomie-ontwikkeling tussen de Separatie-Individuatie Theorie (SIT) en de Zelfdeterminatie Theorie (ZDT)?

  • SIT benadrukt de ontwikkeling van identiteit door separatie, terwijl ZDT zich richt op de bevrediging van autonomie, competentie en verbondenheid. (correct)
  • SIT benadrukt de rol van ouders als veilige basis, terwijl ZDT zich richt op de motivatie van de adolescent.
  • SIT legt de nadruk op het vermijden van conflicten, terwijl ZDT conflicten juist als essentieel beschouwt voor de ontwikkeling.
  • SIT beschouwt autonomie als een specifiek adolescentieproces, terwijl ZDT het ziet als een levenstaak.

Welke van de volgende stellingen over de relatie tussen 'lage hartslag' en 'crimineel gedrag' in adolescentie is het meest correct?

<p>Een lage hartslag correleert met crimineel gedrag omdat het een teken is van 'underarousal', wat leidt tot het zoeken van meer prikkels. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de 'progressief seksueel traject'-theorie de kijk op de seksuele ontwikkeling in de adolescentie?

<p>Het beschrijft een geleidelijke opbouw van seksuele ervaringen, beginnend met minder risicovolle gedragingen, voorafgaand aan geslachtsgemeenschap. (A)</p> Signup and view all the answers

Wat impliceert de 'Life History Theory' met betrekking tot de timing van de geslachtsrijping bij adolescenten in omgevingen met hoge stressniveaus?

<p>Verhoogde stress versnelt de geslachtsrijping omdat het lichaam anticipeert op een kortere levensverwachting. (D)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende uitspraken geeft het meest nauwkeurig de kern weer van het 'Dynamisch Interactionisme'?

<p>Individuen en hun omgeving beïnvloeden elkaar wederzijds en continu, waarbij beiden actief vormend zijn. (C)</p> Signup and view all the answers

In de context van de sociale domeintheorie, hoe veranderen de verwachtingen van ouders ten aanzien van de regels die ze stellen voor hun adolescenten?

<p>Ouders verschuiven de focus naar regels met betrekking tot moreel gedrag en omgangsvormen, terwijl ze persoonlijke zaken meer overlaten aan de adolescent. (B)</p> Signup and view all the answers

Wat is de essentie van 'contrafactisch denken' in de context van cognitieve ontwikkeling tijdens de adolescentie en welke implicatie heeft dit voor het probleemoplossend vermogen?

<p>Het vermogen om alternatieve scenario's te bedenken die afwijken van de realiteit, waardoor het probleemoplossend vermogen verbetert door het overwegen van verschillende mogelijkheden. (C)</p> Signup and view all the answers

Welk mechanisme ligt ten grondslag aan het feit dat jongeren heftiger reageren op extreme gezichtsuitdrukkingen dan volwassenen, en welke functie vervult deze verhoogde gevoeligheid?

<p>Een extra gevoelige amygdala stelt jongeren in staat hun sociale status te begrijpen en hun plek te leren in sociale hiërarchieën. (A)</p> Signup and view all the answers

Hoe verhoudt de 'Looking Glass Theory' van Cooley zich tot het 'Reflected Appraisals Model' in de context van de ontwikkeling van zelfwaardering?

<p>De 'Looking Glass Theory' stelt dat men zichzelf ziet zoals men denkt dat anderen hen zien, terwijl het 'Reflected Appraisals Model' stelt dat zelfwaardering gebaseerd is op de daadwerkelijke meningen en percepties van anderen. (A)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloeden de principes van de systeembenadering de analyse van gezinsdynamiek tijdens de adolescentie, en welke kernprincipes zijn hierbij relevant?

<p>De systeembenadering benadrukt dat veranderingen in één subsysteem (bijvoorbeeld een individu) leiden tot disbalans, waarna het gehele systeem zich aanpast, waarbij elk subsysteem invloed uitoefent op de andere. (B)</p> Signup and view all the answers

Welke implicaties heeft het concept 'deviantietraining' binnen vriendengroepen voor de ontwikkeling van antisociaal gedrag tijdens de adolescentie?

<p>Deviantietraining kan leiden tot een toename van antisociaal gedrag, omdat jongeren negatief gedrag gaan vertonen om hun positie binnen de groep te verhogen of geaccepteerd te worden. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe onderscheidt de dimensionele benadering van stoornissen zich van de categorale benadering (DSM-5) bij het beoordelen van internaliserende problematiek bij adolescenten?

<p>De dimensionele benadering beoordeelt de mate waarin een persoon problemen ervaart op verschillende gebieden, terwijl de categorale benadering stoornissen classificeert als 'wel of niet aanwezig'. (D)</p> Signup and view all the answers

Wat is het belangrijkste verschil tussen 'Oppositioneel-Opstandige Stoornis' (ODD) en een 'Normoverschrijdend-Gedragsstoornis' bij adolescenten?

<p>Een gedragsstoornis omvat ernstige overtredingen van regels, agressie en vernieling, terwijl ODD zich kenmerkt door een patroon van boosheid, prikkelbaarheid en ruziezoekend gedrag. (C)</p> Signup and view all the answers

Welke rol speelt 'assortative mating' bij de ontwikkeling van externaliserende problematiek bij adolescenten?

<p>Assortative mating verhoogt de kans op externaliserende problematiek omdat partners met vergelijkbare risicofactoren elkaar versterken in negatief gedrag. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe kan de interactie tussen temperament en opvoedstijl de ontwikkeling van angststoornissen bij adolescenten beïnvloeden?

<p>Een gedragsgeinhibeerd temperament in combinatie met een overbeschermende opvoedstijl verhoogt het risico op angststoornissen. (C)</p> Signup and view all the answers

Wat houdt het 'broaden-and-build' theorie van positieve emoties in, en hoe beïnvloedt dit het emotioneel functioneren van adolescenten?

<p>Positieve emoties verbreden het actierepertoire en bouwen voort op positieve ervaringen, wat leidt tot veerkracht en een breder scala aan coping mechanismen. (C)</p> Signup and view all the answers

In welke mate verschilt de prevalentie van sociale fobie tussen late adolescentie en vroege volwassenheid, en welke factoren spelen mogelijk een rol in dit verschil?

<p>Sociale fobie komt vaker voor in de late adolescentie dan in de vroege volwassenheid, met een prevalentie van ongeveer 13%, door verhoogde angst voor kritische beoordelingen. (C)</p> Signup and view all the answers

Wat is het verdubbelingseffect in de context van risicofactoren voor externaliserende problematiek, en hoe draagt dit bij aan de ontwikkeling van antisociaal gedrag?

<p>Het verdubbelingseffect beschrijft hoe genetische en omgevingsfactoren elkaar versterken in het beïnvloeden van gedrag, waardoor het effect van beide factoren toeneemt. (D)</p> Signup and view all the answers

Welke kritische differentiatie kenmerkt de 'lifecourse-persistent' versus 'adolescence-limited' trajecten van antisociaal gedrag volgens Moffitt's typologie van externaliserende problematiek?

<p>'Lifecourse-persistent' antisociaal gedrag begint in de kindertijd en houdt aan in de volwassenheid, terwijl 'adolescence-limited' gedrag beperkt blijft tot de adolescentie. (D)</p> Signup and view all the answers

Binnen de theorie van interpersoonlijke ontwikkeling, welke verschuiving in sociale behoeften markeert de overgang van kindertijd naar adolescentie, en hoe beïnvloedt dit de vorming van vriendschappen?

<p>De behoefte aan intimiteit en wederkerigheid neemt toe, wat leidt tot het zoeken van diepere en meer persoonlijke vriendschappen. (D)</p> Signup and view all the answers

Wat is de invloed van migratieachtergrond op het ontstaan van externaliserende problematiek bij adolescenten, en welke factoren dragen hier specifiek aan bij?

<p>Migratieachtergrond kan het risico op externaliserende problematiek verhogen, door een clustering van problemen, gezinsdisfunctioneren en selectieve aandacht. (A)</p> Signup and view all the answers

Welke mechanismen liggen ten grondslag aan de 'age crime curve' die een toename van antisociaal gedrag laat zien tijdens de adolescentie?

<p>Toegenomen autonomie, verandering in hiërarchie binnen het gezin en een verhoogde invloed van leeftijdsgenoten dragen bij aan een toename van antisociaal gedrag. (D)</p> Signup and view all the answers

Wat zijn de essentiële componenten van het angstsysteem volgens het LeDoux-model, en hoe beïnvloeden deze de reactie op gevaar bij adolescenten?

<p>De amygdala detecteert gevaar en initieert een angstrespons, terwijl de (mediale) prefrontale cortex angst remt en de hippocampus de amygdala kan remmen op basis van eerdere ervaringen. (A)</p> Signup and view all the answers

Flashcards

Vroege adolescentie?

De periode van 10-13 jaar.

Midden adolescentie?

De periode van 14-18 jaar.

Late adolescentie?

De periode van 19-23 jaar.

Adolescentie volgens Erikson?

De ontwikkeling van identiteit versus identiteitsverwarring.

Signup and view all the flashcards

Zuigelingen fase?

Vertrouwen versus wantrouwen.

Signup and view all the flashcards

Peuterleeftijd?

Autonomie versus schaamte en twijfel.

Signup and view all the flashcards

Kleuterleeftijd?

Initiatief versus schuldgevoel.

Signup and view all the flashcards

Basisschoolleeftijd?

Vlijt versus minderwaardigheid.

Signup and view all the flashcards

Vroege volwassenheid?

Intimiteit versus isolement.

Signup and view all the flashcards

Middelbare volwassenheid?

Generativiteit versus stagnatie.

Signup and view all the flashcards

Late volwassenheid?

Ego-integriteit versus wanhoop.

Signup and view all the flashcards

Psychoanalytische theorie?

Leren omgaan met onbewuste neigingen en het vormgeven aan relaties.

Signup and view all the flashcards

Piagets cognitieve theorie?

Kinderen denken concreet, adolescenten abstract.

Signup and view all the flashcards

Ecologische theorie (Bronfenbrenner)?

De structuur van de omgeving beïnvloedt de ontwikkeling.

Signup and view all the flashcards

Dynamisch interactionisme?

Mens vormt omgeving, omgeving vormt mens.

Signup and view all the flashcards

Veranderingen in adolescentie?

Hormonale, cognitieve, en sociale veranderingen.

Signup and view all the flashcards

Effecten HPA-as?

Spierweefsel, schaamhaar, huidverandering.

Signup and view all the flashcards

Effecten HPG-as?

Testosteron en oestrogeen.

Signup and view all the flashcards

Seculiere trend?

Eerder lichamelijke rijping.

Signup and view all the flashcards

Hormonale veranderingen?

Emotionaliteit en seksueel verlangen.

Signup and view all the flashcards

Neurologische veranderingen?

Risicogedrag en impulsregulatie.

Signup and view all the flashcards

Progressief seksueel traject?

Eerst seksuele ervaringen, dan geslachtsgemeenschap.

Signup and view all the flashcards

Dual processing model?

Subcorticale gebieden ontwikkelen sneller dan corticale gebieden.

Signup and view all the flashcards

Functie grijze stof?

Ontvangen van informatie.

Signup and view all the flashcards

Functie witte stof?

Extreem snel versturen van informatie.

Signup and view all the flashcards

Executieve functies?

Vermogen aandacht te richten en impulsen te beheersen.

Signup and view all the flashcards

Responsinhibitie?

Remmen van ongewenst gedrag.

Signup and view all the flashcards

Cognitieve vaardigheden?

Abstract denken, hypothetisch redeneren, combinaties maken.

Signup and view all the flashcards

Contrafactisch-denken?

Kan over zelfbedachte, van realiteit afwijkende situaties nadenken.

Signup and view all the flashcards

Dwanghandelingen?

Terugkerende gedragingen om angst te verminderen.

Signup and view all the flashcards

Study Notes

Inleiding Adolescentie (HS1)

  • De vroege adolescentie omvat de leeftijd van 10-13 jaar.
  • De midden adolescentie omvat de leeftijd van 14-18 jaar.
  • De late adolescentie omvat de leeftijd van 19-23 jaar.
  • Drie belangrijke theorieën over ontwikkeling zijn die van Erikson (1968), Arnett (2007) en Spanjaard en Slot (2015).
  • Dynamisch interactionisme stelt dat mensen hun omgeving vormen, maar dat de omgeving ook mensen vormt.
  • Tijdens de adolescentie verschuift interactie van passief naar actief.
  • Belangrijke veranderingen tijdens de adolescentie zijn biologisch (seksualiteit, uiterlijk), cognitief (abstract denken), sociaal (nieuwe rollen) en specifieke problemen (internaliserend/externaliserend).
  • Ontwikkelingspsychopathologie richt zich op de condities die het ontstaan van ontwikkelingsstoornissen faciliteren.
  • Caspi en Shiner (2006) onderscheiden passieve, evocatieve en actieve interactie als manieren waarop de omgeving beïnvloed wordt.
  • Steinberg (2008) noemt bij de vraag of iets een probleem of stoornis is, de volgende aandachtspunten: Eenmalig of patroon? Symptoom? Timing?

Psychosociale ontwikkelingstheorie van Erikson (1968)

  • In de zuigelingenfase (geboorte tot 18 maanden) staat vertrouwen versus fundamenteel wantrouwen centraal.
  • In de peuterleeftijd (18 maanden tot 3 jaar) staat autonomie versus schaamte en twijfel centraal.
  • Tijdens de kleuterleeftijd (3 tot 5 jaar) staat initiatief versus schuldgevoel centraal.
  • In de basisschoolleeftijd (6 tot 12 jaar) is vlijt versus minderwaardigheid de belangrijkste taak.
  • Tijdens de adolescentie (12 tot 18 jaar) staat identiteit versus identiteitsverwarring centraal.
  • In de vroege volwassenheid (18 tot 35 jaar) is intimiteit versus isolement belangrijk.
  • Tijdens de middelbare volwassenheid (35 tot 55-65 jaar) staat generativiteit versus stagnatie centraal.
  • In de late volwassenheid (55-65 tot de dood) is ego-integriteit versus wanhoop de belangrijkste taak.

Thema's en ontwikkelingstaken (Spanjaard en Slot, 2015)

  • Positie ten opzichte van ouders is een belangrijk thema.
  • Onderwijs of werk speelt een rol.
  • Vrije tijd is een relevant thema.
  • Eigen woonsituatie wordt belangrijk.
  • Autoriteit en instanties zijn thema's.
  • Gezondheid en uiterlijk zijn relevant.
  • Sociale contacten en vriendschappen spelen een rol.
  • Sociale media en internet zijn relevant.
  • Intimiteit en seksualiteit zijn thema's.
  • Culturele verschillen spelen een rol.

Theorieën over adolescentie (HS2)

  • Vier theoretische benaderingen van de adolescentie zijn psychoanalytische, cognitieve, contextuele en dynamische systeemtheorieën.
  • Psychoanalytische theorieën leggen de nadruk op het leren omgaan met onbewuste neigingen en het vormgeven van relaties.
  • Cognitieve theorieën (Piaget) beschrijven hoe kinderen concreet leren denken en adolescenten abstract leren denken.

Cognitieve theorieën (Piaget)

  • Kinderen leren logisch redeneren op een concrete manier (concreetoperationeel denken).
  • Adolescenten zijn in staat tot abstract denken (formeel-operationeel denken).
  • Nadenken over eigen denken is een onderdeel van de cognitieve ontwikkeling.
  • Een neiging tot idealisme kenmerkt deze fase.
  • Egocentrisme speelt ook een rol.

Contextuele theorieën

  • De ecologische theorie (Bronfenbrenner) benadrukt de structuur van de omgeving.
  • De theorie van de levensloop benadrukt de invloed van historische context en kritieke levensgebeurtenissen.
  • Aanhangers van de dynamische systeemtheorie zien de adolescent en de sociale context als een samenhangend systeem in beweging.

Lichamelijke ontwikkeling in de adolescentie (HS3)

  • De hormonale regelsystemen omvatten de HPA-as, HPG-as en GH-as.
  • De HPA-as beïnvloedt spierweefsel, schaamhaar, okselhaar, huidverandering en acne, onder invloed van ACTH uit de hypothalamus.
  • De HPG-as beïnvloedt de productie van testosteron (mannen) en oestrogeen (vrouwen) door LH&FSH, onder invloed van GnRH uit de hypothalamus.
  • De GH-as stimuleert de afgifte van groeihormoon door de hypofyse, onder invloed van GRHR uit de hypothalamus, wat lengte-, gewichtstoename en geslachtskenmerken veroorzaakt.
  • Omgevingsfactoren, zoals verbeterde sociaaleconomische omstandigheden, voeding, etnische verschillen en stress, beïnvloeden de lichamelijke ontwikkeling.
  • De seculiere trend laat zien dat lichamelijke rijping steeds eerder plaatsvindt.
  • De 'life history theory' stelt dat veel stress het lichaam signaleert dat er kans is op vroege dood, waardoor het eerder geslachtsrijp wordt.
  • Lichamelijke veranderingen in de adolescentie omvatten hormonale veranderingen, versnelde groei, verandering in lichaamsvet en spierweefsel, ontwikkeling van bloedsomloop/ademhaling en rijping van geslachtsorganen.
  • Drie aspecten van lichamelijke ontwikkeling zijn status (hoe ver), timing (wanneer) en tempo (hoe snel).
  • Hormonale veranderingen leiden tot emotionaliteit, opwinding, seksueel verlangen en verliefdheid.
  • Neurologische veranderingen leiden tot sensatiezucht en risicogedrag; impulsregulatie ontwikkelt zich later.
  • Meisjes scoren hoger op depressie.
  • Hogere Tanner-stadia gaan gepaard met vermoeidheid, geïrriteerdheid, regel overtredend gedrag en drugsgebruik (ook voor jongens).
  • Vroegrijpe adolescenten hebben een groter risico op internaliserende en externaliserende problemen, beginnen eerder met seksuele gedragingen en vertonen meer riskant seksueel gedrag.
  • De "hypothese van stressvolle verandering" stelt dat veranderingen op affectief/motivationeel vlak zorgen voor reactiviteit en spanning zoeken, in combinatie met een achterlopende prefrontale cortex (maturational gap).
  • De "hypothese van afwijkende timing" stelt dat veranderingen die eerder of later plaatsvinden stress veroorzaken.

Psychoseksuele ontwikkeling in de adolescentie (HS5)

  • Een progressief seksueel traject betekent eerst ervaring opdoen met verschillende seksuele gedragingen, alvorens geslachtsgemeenschap te hebben.
  • Individuele en omgevingsfactoren die de seksuele ontwikkeling beïnvloeden zijn, omvatten puberteitsontwikkeling, opvoeding, leeftijdsgenoten (gedragsnorm, attitude, peer pressure) en mediagebruik (informatie, pornografie, dating apps).
  • Risicofactoren in seksuele ontwikkeling zijn inconsistent condoomgebruik en seksueel grensoverschrijdend gedrag.
  • Er is sprake van een dubbel seksueel moraal als mannen en vrouwen verschillende normen en verwachtingen hebben met betrekking tot seksualiteit.
  • Seksueel grensoverschrijdend gedrag komt voor bij 66% van de meisjes en 29% van de jongens, dating violence komt voor bij 10%.

Hersenontwikkeling (H4)

  • Het dual processing model stelt dat de ontwikkeling van subcorticale gebieden (limbisch systeem) voorloopt op de ontwikkeling van corticale gebieden (prefrontale cortex, pariëtale cortex etc.).
  • De grijze stof dient voor het ontvangen en de witte stof voor het snel versturen van informatie.
  • De witte stof neemt toe tot het 20e levensjaar.
  • De grijze stof (verbindingen) volgt een patroon van toename na geboorte en afname tussen 10-20 jaar (neural pruning).
  • Een toename van witte stof in de hersenen is gerelateerd aan een eerdere puberteit.
  • Executieve functies omvatten aandacht richten, impulsen beheersen en problemen oplossen aangestuurd door de prefrontale en pariëtale cortex.
  • Responsinhibitie is het remmen van ongewenst gedrag door de prefrontale cortex.
  • Het beloningsgevoel is sterker bij adolescenten dan bij kinderen, wat leidt tot meer risicovol gedrag.
  • Een hoger testosterongehalte is gekoppeld aan meer risicogedrag.
  • Jongeren reageren heftiger op extreme gezichtsuitdrukkingen dan volwassenen (extra gevoelige amygdala), om sociale status en hiërarchie te leren begrijpen.
  • Sociale afwijzing activeert pijncentra in de hersenen, vrienden hebben een beschermende rol.

Cognitieve ontwikkeling (H6)

  • Intelligentie wordt gebruikt om verschillen in cognitief vermogen aan te duiden.
  • Drie benaderingen van cognitieve ontwikkeling zijn Piagetiaans, informatieverwerking en psychometrisch.
  • De Piagetaanse benadering omvat een stadiumtheorie.
  • Contrafactisch denken houdt in dat men over zelfbedachte, van realiteit afwijkende situaties kan nadenken.
  • Hypothetisch-deductief redeneren is het spelen met hypothetische uitkomsten bij het oplossen van een probleem.
  • Combinatorisch denken is het uit elkaar houden, combineren en bedenken van de resultaten van relevante aspecten van een probleem.
  • De informatieverwerkingsbenadering beschouwt cognitie als een geheel van functies als aandacht, geheugen, executieve functies en probleemoplossend vermogen.
  • Deze benadering verklaart hoe informatie verwerkt wordt, hoe beslissingen worden genomen, problemen worden opgelost en hoe de omgeving wordt begrepen.
  • Executieve functies, lange termijngeheugen, cognitieve strategieën, metacognitie en sociale informatieverwerking zijn belangrijke aspecten.
  • De psychometrische benadering stelt dat cognitie gelijk staat aan intelligentie.
  • Fluid intelligence omvat logisch redeneren en verbanden zien.
  • Crystallized intelligence omvat opgedane kennis en feiten.

Emoties tijdens de adolescentie (H7)

-Baby's ervaren basale emoties als blij, boos, verdrietig, bang. Peuters (+- 2 jaar) ervaren ook secundaire emoties zoals schaamte, schuld en trots. -Adolescenten zijn gevoeliger voor emoties in sociale situaties, zoals schaamte en sociale angst. -Contra-hedonisch gedrag is wanneer adolescenten expres negatieve situaties opzoeken. -De manier waarop adolescenten met emoties omgaan verandert doordat ze regulatiestrategieën ontwikkelen en cognitieve strategieën toepassen. -De Broaden- en Build theorie stelt dat positieve emoties zorgen voor een verbreding van het actierepertoire, waarop je dan weer bouwt met positieve ervaringen.

  • Socialisatie is de invloed van de omgeving op de emoties vanaf de kindertijd, door observatie, imitatie, ideeën en reacties van ouders. Angst en depressie worden gezien als een emotieregulatiestoornis.
  • Hoge consciëntieusheid en emotionele gevoeligheid zorgen voor meer negatieve emotie, terwijl hoge extraversie zorgt voor minder negatieve emotie (Big 5). -Emotionele ongevoeligheid kan ook problematisch zijn (psychopathie).
  • Verveling is een ingewikkelde emotie die gekenmerkt wordt door lage arousal, onplezierigheid en weinig uitdaging, en komt vaak voor bij hoogbegaafde leerlingen.
  • Behandelinterventies zijn emotion-focused cognitive behavioral therapy, coping power en mindfulness-interventies.

Ontwikkeling van identiteit (H8)

  • De looking glass theory stelt dat je jezelf ziet zoals anderen je zien.
  • Het reflected appraisals model stelt dat zelfwaardering is gebaseerd op meningen en percepties van anderen.
  • Bij het competentiemodel is zelfwaardering gebaseerd op prestaties en self-efficacy (Bandura).
  • In de adolescentie verandert het zelf concept van concreet naar abstract.
  • Zelfwaardering is de mate waarin iemand zichzelf waardeert.
  • Factoren die zelfwaardering beïnvloeden zijn goede schoolprestaties, autoritatieve opvoeding, vrienden, geslacht, persoonlijkheid, sociaal-economische context, cultuur en social media.
  • De identiteitstheorie van Erikson stelt dat identiteit het product is van psychosociale crises in de adolescentie.

Identiteitsstatussen van James Marcia

  • Identity achievement: Keuzes gemaakt na exploratie.
  • Foreclosure: Keuzes gemaakt zonder exploratie, gebaseerd op verwachtingen van anderen.
  • Moratorium: Actief zoekend en experimenterend, nog geen beslissing genomen.
  • Identity diffusion: Geen keuzes gemaakt, geen exploratie.

Autonomie-ontwikkeling in de adolescentie (Hoofdstuk 9)

  • De separatie-individuatietheorie (SIT) stelt dat tieners zich losmaken van ouders om een eigen identiteit aan te nemen (losmaken, conflict, deïdealisatie).
  • De zelfdeterminatietheorie stelt dat tieners verlangen naar autonomie, competentie en verbondenheid en dit drijft hun identiteitsontwikkeling (autonomie, intrinsieke motivatie, vrijwillige keuzes).
  • Risicofactoren voor de ontwikkeling van autonomie zijn te veel vrijheid, ouderlijke druk, culturele verwachtingen en gebrek aan steun.
  • Beschermende factoren zijn ouderlijke steun voor zelfstandigheid, zelfstandig beslissingen nemen, goede vriendschappen en een ondersteunende schoolomgeving.

Invloed van het gezin op de adolescent (H11)

  • Het losmaken van ouders om een eigen identiteit te vinden leidt tot een tweede separatie-individuatie.
  • De 'age crime curve' laat een toename zien van antisociaal gedrag in de adolescentie, met een piek rond de late adolescentie en een afname in de volwassenheid.
  • Er is sprake van meer autonomie voor de adolescent en een verschuiving van een verticale naar een horizontale relatie.
  • De sociale domeintheorie stelt dat ouders verwachtingen bijstellen en regels stellen met betrekking tot moreel gedrag, omgangsvormen en persoonlijke zaken.
  • Communicatiepatronen veranderen, ouders willen weten hoe het kind gaat en passen actieve (informatie opeisen) en passieve (informeren, snooping) strategieën toe.
  • Opvoedingsdimensies omvatten ondersteuning, controle (structuur, sturing) en autonomie (bevorderen van onafhankelijkheid).
  • Kenmerken van de relatie tussen broers en zussen zijn gelijkwaardigheid, langdurigheid en emotionele geladenheid (steun/liefde en conflict/rivaliteit).
  • De systeembenadering kent twee kernprincipes: elk subsysteem beïnvloedt andere subsystemen, veranderingen leiden tot disbalans en aanpassing.

De rol van leeftijdsgenoten (H12)

  • De interpersoonlijke theorie van ontwikkeling stelt dat in elke nieuwe ontwikkelingsfase nieuwe sociale behoeften ontstaan, welke vervuld worden door nieuwe interpersoonlijke relaties.
  • De theorie van interpersoonlijk perspectief nemen (Sullivan) stelt dat adolescenten sociaal cognitieve vaardigheden ontwikkelen.
  • Vriendschappen hebben op korte termijn positieve effecten op het psychologisch, sociaal en emotioneel functioneren, en op lange termijn op de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling.
  • Vriendengroepen hebben invloed via normen en waarden binnen de groep en de mate waarin de adolescent zich identificeert met de groep.
  • Deviantietraining is negatief gedrag vertonen om positie binnen de groep te verhogen of geaccepteerd te worden.
  • Er is een verschil tussen selectie (gedrag vertonen om bij een groep te horen) en socialisatie (gedrag vertonen omdat je al bij een bepaalde groep hoort).

Pesten

  • 15-20% van de adolescenten wordt gepest en 10% is dader.
  • Jongens pesten vaker fysiek en meisjes vaker indirect.
  • Daders zijn meestal agressiever.
  • De gehechtheidstheorie stelt dat de relatie tussen ouder en kind een blauwdruk vormt voor toekomstige relaties.

Internaliserende problematiek (H13)

  • Internaliserende problematiek is naar binnen gericht, zoals depressie en angst.
  • Externaliserende problematiek is naar buiten gericht, zoals agressie en vandalisme.
  • Angst heeft fysiologische (hartslag, ademhaling), gedragsmatige (vluchten, vechten) en cognitieve (angstgedachten) componenten.
  • Het angstsysteem (LeDoux) omvat de amygdala (detecteert gevaar) en prefrontale cortex (remt amygdala), en hippocampus (kan amygdala remmen op basis van eerdere ervaringen).
  • DSM-5 is een categoriale classificatie (wel of niet), terwijl de dimensionele benadering kijkt naar de mate van problemen.
  • Oorzaken van angststoornissen zijn genen (temperament, gedragsinhibitie) en overbeschermende opvoedstijl.
  • Paniekstoornis kenmerkt zich door plotselinge, heftige angst met hartkloppingen, zweten, derealisatie, depersonalisatie, angst voor verlies van controle, gek worden of doodgaan.
  • Specifieke fobie is een duidelijke, aanhoudende, overdreven angst voor een specifiek object of een bepaalde situatie.
  • Sociale fobie is duidelijke, aanhoudende angst voor sociale situaties. -Gegeneraliseerde angststoornis (GAS) gaat over excessieve angst en bezorgdheid gedurende minimaal 6 maanden over verschillende gebeurtenissen of activiteiten.
  • Obsessieve-compulsieve stoornis (OCD) kenmerkt zich door dwanggedachten en/of dwanghandelingen.
  • Depressieve stoornis -> Minimaal twee weken een sombere stemming of verlies van plezier/interesse + 5 symptomen

Externaliserende problematiek (HS14)

  • Moffitt onderscheidt trajecten als typologie: childhood limited, lifecourse persistent en adolescens-limited criminals.
  • Er is een genderparadox: als meiden delinquent gedrag vertonen, is deze delinquentie gemiddeld extremer.
  • Tremblay (2009) stelt dat bij normale ontwikkeling een peuter agressie leert beheersen en overschakelt naar verbale agressie.
  • Er is een verband tussen opvoedstijl en delinquentie.
  • Assortive mating is de neiging om een partner te zoeken die uit hetzelfde klimaat komt.
  • Beschermende factoren tegen crimineel gedrag zijn baan, woning en vaste relatie.
  • Giordano et al. (2002) stellen dat cognitieve veranderingen een grote rol spelen bij het stoppen met crimineel gedrag.
  • Oppositioneel-opstandige stoornis (ODD) is een patroon van boze/prikkelbare stemming, ruziezoekend gedrag of wraakzuchtigheid van minimaal 6 maanden met minstens 4 symptomen.
  • Normoverschrijdend-gedragsstoornis is een ernstige overtreding van regels, agressie, vernieling, bedrog of diefstal.
  • Er is een verband tussen lage hartslag en criminaliteit (underaroused).
  • Lage cortisolspiegel betekent minder onder de indruk van stressvolle situaties.
  • Risicofactoren zijn temperament, sociale informatieverwerking, LVB, vroegrijpheid en callous-unemotional behavior (CU).

Riskante gezinsinvloeden

  • Gebrekkige opvoedvaardigheden en conflicten in het gezin
  • Criminaliteit van ouders
  • Gezinnen met weinig orde, verwaarlozende opvoedstijl

Dubbelingseffect

  • Benadrukt hoe genetische en omgevingsfactoren een versterkende factor kunnen hebben op het gedrag.

Lichamelijke afhankelijkheid

  • Gewenning: meer van dezelfde stof nodig om hetzelfde gewenste effect te krijgen.
  • Abstinentie: toediening kan niet zomaar worden gestaakt.
  • Psychische afhankelijkheid: geen effect zonder het middel.

Studying That Suits You

Use AI to generate personalized quizzes and flashcards to suit your learning preferences.

Quiz Team

Related Documents

More Like This

Use Quizgecko on...
Browser
Browser