Indeling van de levende natuur

Choose a study mode

Play Quiz
Study Flashcards
Spaced Repetition
Chat to Lesson

Podcast

Play an AI-generated podcast conversation about this lesson
Download our mobile app to listen on the go
Get App

Questions and Answers

Welke van de volgende beweringen beschrijft het best de genexpressie zoals besproken in de evolutietheorie?

  • De permanente verandering van genen gedurende het leven van een organisme als reactie op zijn omgeving.
  • De selectie van de sterkste genen in een populatie, waardoor zwakkere genen verdwijnen.
  • De willekeurige mutaties die optreden in genen als gevolg van blootstelling aan schadelijke stoffen in het milieu.
  • Het proces waarbij milieufactoren de manier waarop genen tot uiting komen in het fenotype van een organisme beïnvloeden, zonder de erfelijke informatie zelf te veranderen. (correct)

Wat is de meest accurate beschrijving van het binaire systeem van naamgeving in de biologie?

  • Een indeling van organismen op basis van hun genetische overeenkomsten, waarbij de meest verwante soorten dezelfde naam delen.
  • Een methode om organismen te identificeren aan de hand van een unieke numerieke code.
  • Een hiërarchische classificatie van organismen van stam tot soort, waarbij elke soort een unieke naam krijgt bestaande uit genus en soort. (correct)
  • Een systeem waarbij organismen worden ingedeeld op basis van hun uiterlijke kenmerken.

Hoe draagt seksuele selectie bij aan de evolutie van een populatie?

  • Het leidt tot reproductieve isolatie, waardoor nieuwe soorten ontstaan.
  • Het zorgt voor een afname van genetische diversiteit, waardoor de populatie uniformer wordt.
  • Het beïnvloedt de allelfrequentie door te bepalen welke individuen zich vaker voortplanten op basis van bepaalde aantrekkelijke eigenschappen. (correct)
  • Het vermindert de kans op mutaties, waardoor de genetische stabiliteit van de populatie toeneemt.

Wat is het belangrijkste verschil tussen homologe en analoge structuren bij het bestuderen van evolutie?

<p>Homologe structuren hebben een gemeenschappelijke evolutionaire oorsprong, terwijl analoge structuren een vergelijkbare functie hebben maar een verschillende evolutionaire oorsprong. (B)</p> Signup and view all the answers

Welke bewering beschrijft correct de rol van mutaties in het proces van natuurlijke selectie?

<p>Mutaties zijn de enige bron van nieuwe genetische variatie, die natuurlijke selectie kan bewerken om de meest aangepaste organismen te bevoordelen. (A)</p> Signup and view all the answers

Wat is de definitie van een 'genenpool' in een populatie?

<p>De totale verzameling van alle allelen van alle genen in een populatie. (A)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende factoren kan leiden tot reproductieve isolatie tussen twee populaties van dezelfde soort?

<p>Geografische scheiding, zoals een bergketen die ontstaat tussen de populaties. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe verschilt de voortplanting van bacteriën van die van virussen?

<p>Bacteriën delen zich zelfstandig, terwijl virussen gastheercellen nodig hebben voor hun replicatie. (A)</p> Signup and view all the answers

Wat is de primaire functie van een eiwitmantel (capside) bij een virus?

<p>Het beschermen van het erfelijk materiaal (DNA/RNA) van het virus. (C)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende kenmerken is geen eigenschap van prokaryoten?

<p>Aanwezigheid van verschillende organellen. (D)</p> Signup and view all the answers

Flashcards

Organische stoffen

Meestal afkomstig van organismen, relatief grote ingewikkelde moleculen, bevatten H, O, C atomen, kunnen N, P, S bevatten.

Anorganische stoffen

Komen voor in de levenloze natuur en in organismen, bestaan uit eenvoudige moleculen, zoals CO2, H2O, NaCl, O2.

Autotroof

Maken organische stoffen uit CO2 en andere anorganische stoffen, hebben geen andere organismen als voeding nodig.

Heterotroof

Andere organismen als voedsel nodig, niet in staat om alleen organische stoffen uit anorganische stoffen te maken.

Signup and view all the flashcards

Prokaryoten

Eencellige organismen, cellen kleiner en eenvoudiger gebouwd, geen celkern, DNA ligt los in cytoplasma.

Signup and view all the flashcards

Eukaryoten

Celkern in cellen, complexer gebouwd, schimmels/planten/dieren behoren hiertoe, verschillende organellen.

Signup and view all the flashcards

Bacteriën

Eencellige prokaryoten zonder celkern of interne membranen, erfelijk materiaal is een groot cirkelvormig chromosoom.

Signup and view all the flashcards

Virus

Geen organisme, niet levend, geen cellen, geen cytoplasma/kernplasma, geen stofwisseling

Signup and view all the flashcards

Evolutie

De ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen.

Signup and view all the flashcards

Natuurlijke selectie

De best aangepaste aan de leefomgeving hebben de meeste kans op overleven.

Signup and view all the flashcards

Study Notes

Indeling van de levende natuur

  • De aarde is 4,6 miljard jaar oud, de eerste eencelligen ontstonden 3,8 miljard jaar geleden, de eerste meercelligen 670 miljoen jaar geleden, en de eerste menselijke kenmerken 5 miljoen jaar geleden.
  • De ontwikkeling van levensvormen heeft tot biodiversiteit geleid, met 2 miljoen beschreven organismen.
  • Systematici en taxonomen ordenen, benoemen, en onderzoeken de verwantschap tussen groepen organismen.
  • Biologen delen organismen in op basis van moleculaire eigenschappen en uiterlijke kenmerken.
  • Organismen kunnen organische en anorganische stoffen opnemen.

Organische Stoffen

  • Meestal afkomstig van organismen.
  • Relatief grote, ingewikkelde moleculen.
  • Bestaan uit 1 of meer H, O, en C atomen, en kunnen N, P, en S bevatten.
  • Voorbeelden: vetten, eiwitten, koolhydraten.

Anorganische Stoffen

  • Komen voor in de levenloze natuur en in organismen.
  • Bestaan uit eenvoudige moleculen.
  • Voorbeelden: CO2, H2O, NaCl, O2.
  • Organismen zijn in te delen in autotrofe en heterotrofe organismen.

Autotroof

  • Maken organische stoffen uit CO2 en andere anorganische stoffen (water, mineralen).
  • Hebben geen andere organismen nodig als voeding.
  • Organismen met bladgroen zijn autotroof.
  • In bladgroenkorrels vindt fotosynthese plaats: glucose wordt gemaakt uit water en mineralen.

Heterotroof

  • Hebben andere organismen als voedsel nodig.
  • Kunnen niet alleen organische stoffen uit anorganische stoffen maken.
  • Hebben organische en anorganische stoffen van andere organismen nodig.
  • Schimmels en dieren zijn heterotroof.

Domeinen

  • Alle levensvormen zijn in 3 domeinen verdeeld.
  • Bacteriën en archaea behoren tot de prokaryoten: eencellige organismen met kleinere, eenvoudiger cellen dan eukaryoten.
  • Prokaryoten hebben geen celkern, DNA ligt los in het cytoplasma, wel ribosomen maar geen andere organellen.
  • Eukaryoten hebben een celkern in hun cellen.
  • Schimmels, planten, en dieren behoren tot de eukaryoten.
  • Eukaryote cellen zijn complexer gebouwd en bevatten verschillende organellen.

Bacteriën, virussen en schimmels

  • Binaire naamgeving: Stam - Klasse - Orde - Familie - Geslacht - Soort.
  • Een geslacht bestaat uit een aantal soorten die zich uit een gemeenschappelijke voorouder hebben ontwikkeld.
  • Carl Linnaeus introduceerde de binaire naamgeving: eerst de geslachtsnaam (hoofdletter), dan de soortnaam (kleine letter).

Bacteriën

  • Eencellige prokaryoten zonder celkern of interne membranen.
  • Het erfelijk materiaal bestaat uit een groot cirkelvormig chromosoom; soms ook plasmiden (kleinere cirkelvormige chromosomen).
  • Plasmiden bevatten verschillende genen, soms resistentie tegen antibiotica.
  • Chromosomen bestaan alleen uit DNA, niet uit eiwitmoleculen.
  • Planten zich ongeslachtelijk voort door deling bij gunstige omstandigheden.
  • Chromosoom wordt gekopieerd maar niet uit elkaar getrokken; DNA-moleculen zitten vast aan het celmembraan.
  • Worden gebruikt bij de productie van voedingsmiddelen (yoghurt, kaas), geneesmiddelen (na verandering van het DNA), afvalwaterzuivering en wasmiddelenzymen.
  • Kunnen ook ziekten veroorzaken en voedsel bederven.

Virussen

  • Geen organismen: niet levend, bestaan niet uit cellen, hebben geen cytoplasma/kernplasma, geen stofwisseling.
  • Zijn geen prokaryoten of eukaryoten.
  • Bestaan grotendeels uit erfelijk materiaal (DNA/RNA), waardoor DNA-virussen en RNA-virussen ontstaan.
  • Erfelijk materiaal is omgeven door een eiwitmantel (capside).
  • Hebben specifieke gastheercellen nodig voor stofwisseling/voortplanting.
  • Bacteriofagen gebruiken bacteriën als gastheer.

Schimmels

  • Hebben een celkern en een celwand, maar geen bladgroen.
  • Zijn heterotroof: voeden zich met dode resten van organismen.
  • Gisten zijn eencellig en planten zich voort door knopvorming en deling.
  • Meercellige schimmels planten zich voort door sporen en bestaan uit lange schimmeldraden (hyfen).
  • Worden gebruikt bij de bereiding van kaas, brood, en penicilline (antibioticum).
  • Kunnen ziekten veroorzaken.

De evolutietheorie

  • Evolutie is de ontwikkeling van het leven op aarde, waarbij soorten ontstaan, veranderen en verdwijnen.
  • Jean de Lamarck stelde in de 18e eeuw een evolutietheorie op, maar toen was nog niet duidelijk dat genetische eigenschappen tijdens het leven niet veranderen.
  • Milieufactoren kunnen de genexpressie (tot uiting komen van genen in het fenotype) beïnvloeden genen kunnen aan en uitgezet worden.
  • Deze verandering kan aan nakomelingen worden doorgegeven, maar de erfelijke informatie veranderd niet.
  • De evolutietheorie verklaart hoe erfelijke eigenschappen van populaties veranderen en hoe nieuwe soorten ontstaan.
  • Evolutie vindt plaats doordat de best aangepaste aan de leefomgeving de meeste kans op overleven hebben (natuurlijke selectie).
  • Deze selectie is mogelijk doordat organismen van een populatie een grote genetische variatie hebben, als gevolg van:
    • Recombinatie (herverdeling van erfelijke eigenschappen) door meiose en geslachtelijke voortplanting → nieuw genotype bij bevruchting.
    • Mutaties: veranderingen in genen door fouten tijdens het kopiëren van chromosomen. Gemuteerde genen kunnen in voortplantingscellen terechtkomen.
  • Recombinatie en mutatie leiden tot verschillen in genotype en fenotype.
  • Natuurlijke selectie geeft de slechtst aangepasten een kleinere overlevingskans → minder kans om genen door te geven.
  • Genetische variatie en natuurlijke selectie leiden tot veranderingen in de erfelijke eigenschappen van populaties.
  • Een geleidelijke verandering van een soort komt tot stand door:
    • Genetische variatie (mutatie, recombinatie).
    • Natuurlijke selectie (best aangepaste organismen overleven).
    • Voortplanting (gunstige eigenschappen doorgeven).
  • Recombinatie en mutatie vergroten de genetische variatie, milieufactoren bepalen de invloed op genotypen en fenotypen. Selectiedruk: invloed van milieufactoren op de genetische variatie in een populatie.
  • Hoge diversiteit betekend kansen, de best aangepaste hebben de grootste kans op nakomelingen (grotere fitness).
  • Bij grote variatie hebben sommige individuen een genotype dat goede adaptatie aan nieuwe milieuomstandigheden mogelijk maakt.
  • Creationisten baseren zich op de Bijbel, Koran, of Thora, waarin staat hoe de aarde is geschapen.

Soort

  • Organismen die op elkaar lijken zijn niet altijd dezelfde soort.
  • Een soort: organismen die zich onderling kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen krijgen.
  • Een soort bestaat uit een of meer populaties: een groep individuen van dezelfde soort die leven in een bepaald gebied en zich onderling voortplanten.
  • Twee populaties wisselen soms genen uit.
  • Reproductieve isolatie is nodig voor nieuwe soorten: lange tijd geen voortplanting en geen uitwisseling van genen.
  • Reproductieve isolatie gebeurt meestal door geografische isolatie (bergketen, rivier, zee) of door verschil in gedrag, of aankomst op een eiland.
  • Het ontstaan van soorten komt door:
    1. Reproductieve isolatie
    2. Genetische variatie (mutatie, recombinatie)
    3. Natuurlijke selectie (best aangepaste organismen overleven)
    4. Voortplanting (gunstige eigenschappen doorgeven)

Evolutie in populaties

  • Een genenpool is de verzameling allelen van alle individuen in een populatie.
  • De allelfrequentie geeft aan hoe vaak een bepaald allel in een populatie voorkomt.
  • Als er geen selectiedruk is, worden allelen willekeurig doorgegeven en blijven de allelfrequenties constant.
  • Verandering in allelfrequenties kan ontstaan door:
    • Mutaties (verkleinde overlevingskans betekent dat het allel snel uit de populatie verdwijnt).
    • Selectiedruk.
    • Migratie.
    • Seksuele selectie.

Onderzoek naar evolutie

  • Homologie (gelijkenis) is belangrijk bij het onderzoeken van verwantschap tussen organismen.
  • Ledematen, organen, orgaanstelsels en genen kunnen homoloog zijn, ontstaan uit dezelfde grondvorm, maar aangepast aan verschillende milieus.
  • Analoge lichaamsdelen hebben dezelfde functie, maar een ander bouwplan (aangepast aan hetzelfde milieu bij niet-verwante organismen).
  • Rudimentaire lichaamsdelen hebben hun oorspronkelijke functie verloren.
  • Soorten met een gemeenschappelijke voorouder vertonen verwantschap.
  • DNA-analyse is belangrijk bij het bepalen van verwantschap (bepalen van de DNA-sequentie).
  • Door te vergelijken kan de afstamming worden bepaald, en de verwantschap worden weergegeven in een evolutionaire stamboom.

Studying That Suits You

Use AI to generate personalized quizzes and flashcards to suit your learning preferences.

Quiz Team

Related Documents

More Like This

Use Quizgecko on...
Browser
Browser