Podcast
Questions and Answers
Wat is het belangrijkste atoom in levende organismen?
Wat is het belangrijkste atoom in levende organismen?
Koolstof
Welke voorbeelden van organische moleculen worden in de tekst gegeven?
Welke voorbeelden van organische moleculen worden in de tekst gegeven?
- Vetten, zouten en water
- Koolhydraten, zuren en basen
- Zuurstof, stikstof en water
- Eiwitten, vetten en koolhydraten (correct)
Levende wezens gehoorzamen aan fysische en chemische wetten.
Levende wezens gehoorzamen aan fysische en chemische wetten.
True (A)
Wat vormt de kleinste vitale eenheid van een levend wezen?
Wat vormt de kleinste vitale eenheid van een levend wezen?
Levende organismen ontstaan uit ______.
Levende organismen ontstaan uit ______.
Ontwikkelingsprocessen leiden tot veroudering.
Ontwikkelingsprocessen leiden tot veroudering.
Wat is het verschil tussen autotrofe en heterotrofe organismen?
Wat is het verschil tussen autotrofe en heterotrofe organismen?
Welke twee processen worden beschreven als verantwoordelijk voor de energievoorziening van levende wezens?
Welke twee processen worden beschreven als verantwoordelijk voor de energievoorziening van levende wezens?
Het metabolisme van een cel wordt gereguleerd door enzymen.
Het metabolisme van een cel wordt gereguleerd door enzymen.
Welke van de volgende factoren beïnvloedt de activiteit van enzymen?
Welke van de volgende factoren beïnvloedt de activiteit van enzymen?
De celmembraan is een ultrafilter die alleen kleine stoffen doorlaat .
De celmembraan is een ultrafilter die alleen kleine stoffen doorlaat .
Heterotrofe organismen kunnen alleen overleven in een omgeving waar autotrofe organismen aanwezig zijn.
Heterotrofe organismen kunnen alleen overleven in een omgeving waar autotrofe organismen aanwezig zijn.
Wat is het verschil tussen pinocytose en fagocytose?
Wat is het verschil tussen pinocytose en fagocytose?
Zowel planten als dieren kunnen glucose gebruiken als energiebron.
Zowel planten als dieren kunnen glucose gebruiken als energiebron.
Wat is het verschil tussen endotherme en exotherme reacties?
Wat is het verschil tussen endotherme en exotherme reacties?
De oxidatieve fosforylering is een proces waarbij ATP wordt gevormd uit ADP en een fosfaatgroep.
De oxidatieve fosforylering is een proces waarbij ATP wordt gevormd uit ADP en een fosfaatgroep.
Wat is de functie van de Krebs-cyclus?
Wat is de functie van de Krebs-cyclus?
Anaerobe ademhaling is efficiënter in energieopbrengst dan aërobe ademhaling.
Anaerobe ademhaling is efficiënter in energieopbrengst dan aërobe ademhaling.
Welke processen vereisen energie uit ATP?
Welke processen vereisen energie uit ATP?
Wat is het verschil tussen een repressor en een inducer?
Wat is het verschil tussen een repressor en een inducer?
Het operatorgen regelt de transcriptie van structurele genen.
Het operatorgen regelt de transcriptie van structurele genen.
Het metabolisme van een cel kan zich aanpassen aan veranderingen in de omgeving
Het metabolisme van een cel kan zich aanpassen aan veranderingen in de omgeving
Flashcards
Koolstof
Koolstof
Het belangrijkste atoom in alle levende organismen. Oorsprong aller organische moleculen.
Cel
Cel
De kleinste vitale eenheid van het leven, de basisbouwsteen van alle organismen.
Celdeling
Celdeling
Cellen ontstaan alleen uit reeds bestaande cellen.
Anabolisme (synthese)
Anabolisme (synthese)
Signup and view all the flashcards
Katabolisme (afbraak)
Katabolisme (afbraak)
Signup and view all the flashcards
Nutriënten
Nutriënten
Signup and view all the flashcards
Zonlicht
Zonlicht
Signup and view all the flashcards
Autotrofe organismen
Autotrofe organismen
Signup and view all the flashcards
Heterotrofe organismen
Heterotrofe organismen
Signup and view all the flashcards
Erfelijk materiaal (DNA)
Erfelijk materiaal (DNA)
Signup and view all the flashcards
Enzym
Enzym
Signup and view all the flashcards
Homeostase
Homeostase
Signup and view all the flashcards
Osmose
Osmose
Signup and view all the flashcards
Passief transport
Passief transport
Signup and view all the flashcards
Actief transport
Actief transport
Signup and view all the flashcards
Fagocytose
Fagocytose
Signup and view all the flashcards
Pinocytose
Pinocytose
Signup and view all the flashcards
Glucose
Glucose
Signup and view all the flashcards
Oxidatie
Oxidatie
Signup and view all the flashcards
Reductie
Reductie
Signup and view all the flashcards
Fosforylatie
Fosforylatie
Signup and view all the flashcards
Glycolyse
Glycolyse
Signup and view all the flashcards
Krebs-cyclus (citroenzuurcyclus)
Krebs-cyclus (citroenzuurcyclus)
Signup and view all the flashcards
Terminale oxidatie
Terminale oxidatie
Signup and view all the flashcards
Anaerobe ademhaling
Anaerobe ademhaling
Signup and view all the flashcards
Glycogeen
Glycogeen
Signup and view all the flashcards
Bèta-oxidatie
Bèta-oxidatie
Signup and view all the flashcards
Vetweefsel
Vetweefsel
Signup and view all the flashcards
Eiwitafbraak
Eiwitafbraak
Signup and view all the flashcards
Repressor eiwit
Repressor eiwit
Signup and view all the flashcards
Inductor
Inductor
Signup and view all the flashcards
Study Notes
Inleiding
- Levende wezens zijn opgebouwd uit dezelfde materie als niet-levende dingen.
- Koolstof is het belangrijkste atoom in levende organismen.
- Eiwitten, vetten en koolhydraten zijn belangrijke organische moleculen.
- Levende organismen ontstaan uit niet-levende materie (onder bepaalde omstandigheden).
- Levende wezens zijn opgebouwd uit cellen.
- Cellen hebben verschillende functies afhankelijk van hun specifieke omgeving.
Algemene biologische basisprincipes
- Levende wezens gehoorzamen fysische en chemische wetten.
- Levende wezens (behalve virussen) bestaan uit cellen.
Levende wezens
- Levende organismen beschikken over veel verschillende functies.
- Zeer efficiënt in energie omzetten.
- Cellen zijn fundamenteel op dezelfde manier gebouwd.
- Levensverschijnselen vinden plaats in elke cel volgens dezelfde principes.
Ontwikkeling
- Ontwikkelingsprocessen = veroudering.
- Individuen groeien door vermeerdering van cellen.
- Gestructureerd in organen met specifieke functies.
- Individuele leven eindigt met de dood: ofwel voortplanting.
Voortplanting en productie
- Kenmerkend levend organisme kan functioneren, groeien en zich voortplanten.
- Levende organismen produceren nuttige producten.
Voortbestaan en productie
- Levende organismen hebben bepaalde kenmerken.
- Individuele functioneren, ontwikkelt, en vermenigvuldigt.
Energiestroom
- Energie wordt gebruikt voor arbeid.
- Levende organismen vormen en breken complexen af.
- Levende wezens maken gebruik van energie (fotosynthese, dissimilatie).
- Energetische proces in levende organismen: drie stappen energie-transformaties.
Enkele basisbegrippen
- Verbranding van organische stoffen = warmteontwikkeling.
- Stoffen veranderen in andere stoffen, en kunnen niet meer branden.
- Warmteproductie is meetbaar.
Inwendige energie
- Energie die een systeem op een bepaald moment bezit is energie.
- Deze energie kan afhankelijk zijn van verschillende eigenschappen: samenstelling, temperatuur, druk en volume enz.
- Totale inwendige energie = moeilijk te meten.
- Warmte = gemakkelijk uitwisselbare energievorm.
- Energie kan worden opgenomen van buiten of afgestaan.
Autotrofie:
- Organismen die hun eigen voedsel produceren uit onorganische stoffen.
- Planten gebruiken fotosynthese om zonne-energie om te zetten in chemische energie.
Heterotrofie
- Organismen die voedsel moeten opnemen van andere organismen (meestal plantaardig of dierlijk voedsel).
Organismen
- Dieren, planten en bacteriën zijn allemaal organismen dat zijn verdeeld in een systeem (soort, geslacht, familie, orde en grote organismerijken).
Celmembranen
- Dubbele laag van fosfolipiden, met poriën en eiwitten.
- Selectief permeabel: bepaalde stoffen kunnen door de membraan, andere niet.
- Actief transport van stoffen (meestal tegen) de concentratiegradiënt in.
- Passief transport is met lage energie behoefte (met de concentratiegradiënt mee).
Chemische reacties in organismen
- Enzymen zijn eiwitten, die chemische reacties katalyseren.
- Metabolisme is een verzameling chemische reacties die in organismen plaatsvinden.
- Repressoren, inductoren en operator genen reguleren de productie van eiwitten in organismen.
Koolstof-afbraak
- Glucose wordt afgebroken via glycolyse, de citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering.
- Decarboxylatie, een proces dat CO2 afsplitst van organische moleculen, is één stap in de afbraak van glucose.
- Door deze stappen wordt energie vrijgemaakt die de cel kan gebruiken.
Organismen en metabolieten
- Anaerobe omstandigheden: afbraak glucose zonder zuurstof.
- Aeroob: afbraak van glucose met zuurstof.
- Productie van energie (in de vorm van ATP) en andere essentiële metabolieten.
Vetten
- Een onderdeel van de chemische reacties in het organisme: Vetten.
- Ontleding en omzetting van vetten.
Aminozuren
- Enkele typen stoffen voor vertering: aminozuren.
- Chemische reacties en hun toepassing in stofwisseling.
Studying That Suits You
Use AI to generate personalized quizzes and flashcards to suit your learning preferences.
Related Documents
Description
Deze quiz test je kennis over de fundamenten van de biologie, inclusief de opbouw van levende organismen en hun cellen. Leer hoe fysieke en chemische wetten van toepassing zijn op levensvormen en ontdek de belangrijke organische moleculen zoals eiwitten, vetten en koolhydraten.