H20 planten
80 Questions
1 Views

Choose a study mode

Play Quiz
Study Flashcards
Spaced Repetition
Chat to Lesson

Podcast

Play an AI-generated podcast conversation about this lesson

Questions and Answers

Welke van de volgende beweringen over de klassieke veredeling van rozen is het meest accuraat in de context van genetische variatie en genenpoolverarming?

  • De herhaalde selectie op specifieke fenotypische kenmerken tijdens klassieke veredeling leidt onvermijdelijk tot genenpoolverarming, zelfs als initieel een grote genetische variatie aanwezig is. (correct)
  • Genetische variatie, geïntroduceerd door klassieke veredeling, kan genenpoolverarming compenseren door de introductie van nieuwe allelen die de rozenpopulatie resistenter maken tegen ziekten.
  • Klassieke veredeling is superieur aan genetische modificatie omdat het de natuurlijke mechanismen van recombinatie en crossing-over benut om genetische variatie te behouden.
  • Klassieke veredeling, hoewel arbeidsintensief, maximaliseert de genetische diversiteit binnen rozenpopulaties door het forceren van willekeurige kruisingen, waardoor genenpoolverarming wordt tegengegaan.

In de context van schimmelresistentie bij rozen, hoe verhoudt selectie op DNA-niveau zich tot genetische modificatie (gmo) en cisgenese?

  • Selectie op DNA-niveau is een vorm van genetische modificatie waarbij alleen genen van dezelfde rozensoort worden ingebouwd, wat het per definitie cisgeen maakt.
  • Selectie op DNA-niveau is identiek aan genetische modificatie, omdat beide methoden direct ingrijpen in het genoom van de roos om resistentie te bewerkstelligen.
  • Selectie op DNA-niveau is een verouderde techniek die vervangen is door genetische modificatie en cisgenese, omdat deze laatste methoden een meer precieze en efficiënte manier bieden om resistentie te introduceren.
  • Selectie op DNA-niveau gebruikt DNA-markers om resistentiegenen te identificeren zonder genen in te bouwen, terwijl genetische modificatie nieuwe genen van andere soorten introduceert, resulterend in transgene planten. Cisgenese is een specifieke vorm van genetische modificatie waarbij genen van dezelfde soort worden ingebouwd. (correct)

Wat is de belangrijkste uitdaging bij het maken van een genetische kaart voor polyploïde snijrozen (Rosa hybrida) en hoe hebben Wageningse onderzoekers deze uitdaging overwonnen?

  • De belangrijkste uitdaging is het lage aantal chromosomen in snijrozen, dat het moeilijk maakt om voldoende DNA-markers te vinden. Wageningse onderzoekers hebben dit overwonnen door gebruik te maken van geavanceerde sequencing-technologieën.
  • De belangrijkste uitdaging is de complexe overerving van eigenschappen door de aanwezigheid van meerdere sets homologe chromosomen, waardoor het aantal recombinaties toeneemt. Wageningse onderzoekers hebben dit overwonnen door gebruik te maken van ruim 300 DNA-markers. (correct)
  • De belangrijkste uitdaging is het gebrek aan genetische variatie in snijrozen, waardoor het moeilijk is om DNA-markers te identificeren die geassocieerd zijn met specifieke eigenschappen. Wageningse onderzoekers hebben dit overwonnen door wilde rozensoorten te kruisen met snijrozen om de genetische variatie te vergroten.
  • De belangrijkste uitdaging is de instabiliteit van het genoom van snijrozen, dat leidt tot frequente mutaties en recombinaties. Wageningse onderzoekers hebben dit overwonnen door gebruik te maken van CRISPR-Cas technologie om het genoom te stabiliseren.

Stel dat een rozenkweker een nieuwe rozenvariëteit wil creëren die resistent is tegen zowel Botrytis cinerea als een andere veel voorkomende schimmelziekte. Welke strategie zou, vanuit een genetisch oogpunt, de meest duurzame en effectieve aanpak bieden?

<p>Een combinatie van selectie op DNA-niveau, waarbij DNA- markers gebruikt worden om individuen met resistentiegenen te identificeren, en cisgenese, waarbij resistentiegenen van wilde rozensoorten worden ingebouwd om de bestaande genenpool aan te vullen. (C)</p> Signup and view all the answers

Een rozenkweker observeert dat een bepaalde cultivar prachtige bloemen produceert, maar een zwak wortelstelsel heeft en vatbaar is voor bodempathogenen. Welke strategie van vermeerdering zou de kweker het beste kunnen toepassen om de gewenste bloemkenmerken te behouden en tegelijkertijd de wortelsterkte te verbeteren?

<p>Het enten van ogen (oculeren) van de gewenste cultivar op een onderstam van een wilde roos met een sterk wortelstelsel. (D)</p> Signup and view all the answers

In een experimentele setting worden rozenplanten blootgesteld aan verschillende concentraties van een nieuw fungicide om de effectiviteit ervan tegen Botrytis cinerea te testen. Na herhaalde blootstelling blijkt de schimmel resistentie te ontwikkelen. Welk mechanisme draagt waarschijnlijk het meest bij aan deze snelle resistentieontwikkeling?

<p>Selectie en reproductie van de schimmelindividuen die reeds resistentie-verlenende mutaties bezitten, waardoor de frequentie van deze mutaties in de populatie toeneemt. (B)</p> Signup and view all the answers

Waarom is de ontwikkeling van een rozenras door klassieke veredeling zo'n arbeidsintensief proces?

<p>Omdat het selectieproces is iteratief is en omdat het jaren duurt voordat een potentiële nieuwe cultivar de gewenste eigenschappen en stabiliteit vertoont. (A)</p> Signup and view all the answers

Een veredelaar wil een geurige roos kweken die ook bestand is tegen een specifieke insectenplaag. Na verschillende kruisingen en selectierondes, merkt hij dat de geur van de roos afneemt naarmate de resistentie tegen de insectenplaag toeneemt. Welk genetisch fenomeen verklaart dit het best?

<p>Genetische koppeling, waarbij de genen voor geur en resistentie dicht bij elkaar op hetzelfde chromosoom liggen en samen overerven. (B)</p> Signup and view all the answers

Bij de productie van transgene rozen wordt Agrobacterium gebruikt om genetisch materiaal in de plantencellen te brengen. Stel dat een onderzoeker in plaats daarvan een virus als vector zou gebruiken. Wat zou een belangrijk voordeel, en een belangrijk nadeel zijn, van deze aanpak?

<p>Voordeel: de mogelijkheid om grote stukken DNA in te brengen; Nadeel: de moeilijkheid om het virus te controleren en te voorkomen dat het zich verspreidt naar andere planten. (D)</p> Signup and view all the answers

Sommige wilde rozensoorten in Nederland zijn polyploïd. Wat is het meest waarschijnlijke evolutionaire voordeel van polyploïdie bij deze soorten in hun natuurlijke omgeving?

<p>Een grotere aanpassingsvermogen aan veranderende omgevingsomstandigheden, doordat de planten een grotere genetische reserve hebben. (D)</p> Signup and view all the answers

In de context van rozenveredeling, wat is het belangrijkste nadeel van het uitsluitend selecteren op visueel aantrekkelijke bloemen (zoals kleur en vorm) zonder rekening te houden met andere eigenschappen?

<p>De genenpool kan verarmen, waardoor de rozen vatbaarder worden voor ziekten of minder goed bestand zijn tegen stress. (B)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende beweringen beschrijft nauwkeurig de rol van Agrobacterium bij genetische modificatie van rozen en wat zou een belangrijk alternatief kunnen zijn?

<p>Agrobacterium brengt plasmiden met gewenste genen over in rozenplantencellen, waarna deze genen in het DNA van de roos worden ingebouwd; een alternatief zou het gebruik van virussen als vector kunnen zijn. (A)</p> Signup and view all the answers

Wat is de belangrijkste complicatie bij het in kaart brengen van het genoom van polyploïde rozenrassen (zoals Rosa hybrida) in vergelijking met diploïde soorten, en hoe pakken Wageningse onderzoekers dit aan?

<p>De aanwezigheid van meerdere sets chromosomen leidt tot complexere overerving en recombinatiepatronen; Wageningse onderzoekers gebruiken ruim 300 DNA-markers om gericht te kunnen werken. (D)</p> Signup and view all the answers

Stel, een rozenkweker wil een nieuwe rozenvariëteit ontwikkelen die resistent is tegen Botrytis cinerea zonder gebruik te maken van genetische modificatie (GMO). Welke van de volgende methoden is de meest veelbelovende binnen de context van klassieke veredeling en selectie op DNA-niveau?

<p>Het screenen van een grote populatie wilde rozensoorten op natuurlijke resistentie en deze kruisen met commerciële rassen, met behulp van DNA-markers om resistentiegenen te identificeren. (C)</p> Signup and view all the answers

Een rozenkweker constateert dat een bepaald rozenras gevoelig is voor aantasting door Botrytis cinerea. Na herhaaldelijk gebruik van een specifiek fungicide blijkt de schimmel minder gevoelig te worden. Welk mechanisme draagt het meest waarschijnlijk bij aan deze afname in gevoeligheid?

<p>De schimmelpopulatie evolueert door selectie van resistente individuen die beter overleven en zich voortplanten in aanwezigheid van het fungicide. (C)</p> Signup and view all the answers

Bij klassieke rozenveredeling, welke stap draagt het meest significant bij aan het ontstaan van nieuwe combinaties van allelen?

<p>De geslachtelijke voortplanting waarbij recombinatie en crossing-over optreden. (A)</p> Signup and view all the answers

Waarom is het kweken van rozen via geslachtelijke voortplanting een tijdrovend proces?

<p>Omdat er een groot aantal kruisingen en zaailingen nodig is om de gewenste eigenschappen te verkrijgen, gevolgd door jarenlange praktijktests. (C)</p> Signup and view all the answers

Bij de bestrijding van schimmels zoals Botrytis cinerea in rozenkwekerijen, welke benadering is het meest effectief om resistentieontwikkeling te minimaliseren?

<p>Het combineren van preventieve maatregelen met een geïntegreerde bestrijdingsstrategie, inclusief selectie op DNA-niveau en kennis over de schimmeleigenschappen. (C)</p> Signup and view all the answers

Een rozenkweker wil een nieuw ras ontwikkelen met een sterke geur en resistentie tegen een bepaalde schimmel. Welke methode biedt de grootste kans op succes, rekening houdend met de complexiteit van polyploïdie bij rozen?

<p>Selectie op DNA-niveau, gebruikmakend van DNA-markers om snel resistente zaailingen te identificeren, gecombineerd met klassieke veredeling voor de geur. (B)</p> Signup and view all the answers

Wat is het belangrijkste voordeel van het gebruik van DNA-markers bij rozenveredeling in relatie tot schimmelresistentie?

<p>DNA-markers versnellen het identificatieproces van zaailingen met resistentiegenen, waardoor de veredeling efficiënter wordt. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de aanwezigheid van Caspari-bandjes in de endodermis de selectiviteit van nutriëntenopname, en welke alternatieve mechanismen zouden planten kunnen benutten in ecosystemen waar de functie van de Caspari-bandjes wordt gecompromitteerd?

<p>Caspari-bandjes verhogen de selectiviteit door actieve filtering in de endodermiscellen; alternatieve mechanismen omvatten mycorrhiza-associaties die een selectieve nutriëntenlevering mogelijk maken. (D)</p> Signup and view all the answers

In hoeverre correleren de cohesie- en adhesiekrachten in de houtvaten met de viscositeit van de anorganische sapstroom, en hoe zou een significante verandering in de ionische samenstelling van het bodemwater deze relatie beïnvloeden?

<p>De relatie is complex, waarbij een optimale viscositeit nodig is voor maximale cohesie en adhesie; een significante verandering in de ionische samenstelling kan de waterstructuur veranderen, waardoor zowel viscositeit als cohesie/adhesie beïnvloed worden. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe verhoudt de waterpotentiaalgradiënt zich tot de chemische potentiaalgradiënt van specifieke nutriënten in het xyleem, en welke impact heeft de accumulatie van abiotische stressoren (zoals zware metalen) op deze gradiënten in de context van fytoremediatie?

<p>De waterpotentiaalgradiënt stimuleert de passieve verplaatsing van nutriënten volgens hun chemische potentiaal; accumulatie van zware metalen kan de waterpotentiaalgradiënt verstoren en fytoremediatie belemmeren. (A)</p> Signup and view all the answers

In welke mate beïnvloedt de variabiliteit in de diameter van houtvaten de efficiëntie van watertransport onderhevig aan cavitatie, en hoe passen planten zich morfologisch en fysiologisch aan om de gevolgen van cavitatie in extreme omgevingen te minimaliseren?

<p>De relatie is complex; smallere vaten zijn beter bestand tegen cavitatie maar bieden meer weerstand tegen stroming. Aanpassingen omvatten het reguleren van de huidmondjes, het ontwikkelen van 'veiligere' vaten met kleinere intervat-poriën, en het herstellen van cavitatie via worteldruk. (A)</p> Signup and view all the answers

Hoe veranderen de relatieve bijdragen van worteldruk en verdampingsstroom aan het watertransport in bomen gedurende een dag-nachtcyclus, en welke hormonale signalen reguleren deze verschuivingen in respons op omgevingsfactoren zoals licht en luchtvochtigheid?

<p>Verdampingsstroom is dominant overdag, worteldruk kan 's nachts belangrijker zijn, vooral bij hoge bodemvochtigheid en gesloten huidmondjes. Absciszuur (ABA) reguleert de sluiting van de huidmondjes in reactie op waterstress, waardoor verdamping afneemt, terwijl cytokininen de worteldruk kunnen beïnvloeden. (B)</p> Signup and view all the answers

Wat is de rol van aquaporines bij het reguleren van de waterstroom door de celmembranen van wortelcellen in reactie op plotselinge veranderingen in de bodemzoutconcentratie, en hoe verschilt deze respons tussen halofyten en glycofyten?

<p>De rol van aquaporines is complex; ze kunnen zowel de waterstroom bevorderen als remmen, afhankelijk van het aquaporine-isoform en de plantensoort. Halofyten hebben vaak meer efficiënte aquaporines of mechanismen om hun activiteit te reguleren, waardoor ze beter bestand zijn tegen zoutstress. (A)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de aanwezigheid van lignine in de celwanden van houtvaten de laterale waterbeweging tussen aangrenzende vaten, en welke structurele aanpassingen compenseren voor verminderde laterale waterbeweging in planten met sterk gelignificeerde vaten?

<p>Lignine vermindert de laterale waterbeweging door de celwanden minder permeabel te maken. Structurele aanpassingen: meer en grotere intervat-poriën of dunnere gebieden in de wanden (bijv. stippels) om de weerstand te verminderen. (D)</p> Signup and view all the answers

Welke rol speelt de suberine-afzetting in de exodermis van wortels bij het reguleren van water- en nutriëntenopname, en hoe wordt dit proces beïnvloed door mycorrhiza-associaties in verschillende bodemtypes?

<p>Suberine beperkt de apoplastische route, waardoor de selectiviteit van opname wordt verhoogd en waterverlies wordt verminderd. Mycorrhiza-associaties kunnen de effecten van suberine moduleren; ze kunnen de opname van nutriënten verbeteren (vooral fosfaat) via een extra-radicale hyfennetwerk, vooral in nutriëntarme bodems. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de accumulatie van reactieve zuurstofspecies (ROS) in de houtvaten de integriteit van de waterkolom, en welke antioxidantmechanismen worden ingezet om de door ROS veroorzaakte cavitatie te minimaliseren?

<p>Accumulatie van ROS kan leiden tot oxidatieve schade aan de vaatwanden en destabilisatie van de waterkolom, waardoor cavitatie wordt bevorderd. Planten gebruiken antioxidantenzymen (bijv. superoxide dismutase, catalase) en niet-enzymatische antioxidanten (bijv. ascorbaat, glutathion) om ROS te neutraliseren en de door ROS veroorzaakte schade te minimaliseren. (A)</p> Signup and view all the answers

In hoeverre verschillen de mechanismen van wateropname en -transport tussen vasculaire planten en niet-vasculaire planten (zoals mossen), en welke ecologische implicaties vloeien voort uit deze verschillen in omgevingen met beperkte waterbeschikbaarheid?

<p>Vasculaire planten hebben houtvaten voor efficiënt transport, terwijl niet-vasculaire planten afhankelijk zijn van cel-tot-cel transport; ecologische implicaties zijn dat niet-vasculaire planten beperkt zijn tot vochtige omgevingen en vasculaire planten een breder scala aan habitats kunnen koloniseren dankzij hun efficiënte transportsystemen. (A)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende processen is het meest direct verantwoordelijk voor de selectieve opname van specifieke ionen door de endodermiscellen van de plantenwortel?

<p>Actief transport via membraaneiwitten, geholpen door ATP-hydrolyse. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een toename van de luchtvochtigheid de verdampingssnelheid en de waterpotentiaalgradiënt in een plant, en wat is het directe gevolg hiervan voor het watertransport?

<p>Verlaagt de verdampingssnelheid, verhoogt de waterpotentiaal in de bladeren, vermindert de waterstroom. (B)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende beweringen beschrijft het meest nauwkeurig de interactie tussen worteldruk en verdampingsstroom bij het watertransport in een boom op een zonnige zomerdag?

<p>Verdampingsstroom is de dominante kracht voor watertransport, terwijl worteldruk voornamelijk bijdraagt aan de wateropname in de wortels. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe zou een plotselinge verhoging van de zoutconcentratie in de bodem direct de wateropname door wortelharen beïnvloeden, en welke aanpassingen zou een halofyt (een zoutminnende plant) kunnen hebben om dit te compenseren?

<p>Vermindert de wateropname door verlaging van de waterpotentiaal in de bodem, halofyten accumuleren zouten in hun cellen om de waterpotentiaal te verlagen. (A)</p> Signup and view all the answers

Stel dat een onderzoeker de functie van aquaporines in de wortelcellen van een plant blokkeert. Welk van de volgende effecten zou het meest waarschijnlijk worden waargenomen met betrekking tot de snelheid van wateropname en de reactie van de plant op droogtestress?

<p>Een afname van de wateropnamesnelheid en een verminderde tolerantie voor droogtestress. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de aanwezigheid van de bandjes van Caspari in de endodermis de water- en nutriëntenopname in plantenwortels?

<p>Ze dwingen water en nutriënten om de symplastroute te volgen, waardoor selectieve opname door de celmembranen van de endodermis mogelijk is. (A)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende factoren heeft de meest directe invloed op de verdampingssnelheid van water uit bladeren via de huidmondjes?

<p>De luchtvochtigheid rondom de bladeren. (C)</p> Signup and view all the answers

Waarom is worteldruk alleen niet voldoende om het watertransport in hoge bomen te verklaren?

<p>De verdampingsstroom in de bladeren is essentieel om het water over lange afstanden tegen de zwaartekracht in te trekken. (A)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een verandering in de temperatuur van de bodem de opname van water en voedingszouten door plantenwortels?

<p>De temperatuur beïnvloedt de actieve processen in de celmembranen van de endodermis, wat de selectie en opname van zouten beïnvloedt. (B)</p> Signup and view all the answers

Wat is de belangrijkste functie van de sluitcellen rondom de huidmondjes in bladeren?

<p>Het reguleren van de waterafgifte en gasuitwisseling afhankelijk van de omgevingsomstandigheden. (C)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende beweringen over de cyclische fotofosforylering in chloroplasten is het meest correct in relatie tot de regulering van de ATP/NADPH,H+ ratio onder verschillende lichtomstandigheden?

<p>Cyclische fotofosforylering wordt geïnduceerd wanneer de ATP/NADPH,H+ ratio te laag is voor de calvincyclus, waardoor extra ATP wordt geproduceerd zonder NADPH,H+ te genereren, essentieel voor het handhaven van een optimale stofwisseling. (B)</p> Signup and view all the answers

Stel dat een onderzoeker de thylakoïdmembranen isoleert en blootstelt aan een stof die specifiek de protonengradiënt over het membraan opheft. Wat is het meest directe gevolg van deze verstoring op de lichtreactie van de fotosynthese?

<p>Een verstoring van de ATP-synthese, omdat de protonengradiënt essentieel is voor de werking van ATP-synthetase, wat leidt tot een verminderde ATP-productie. (D)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende mechanismen verklaart het beste hoe planten zich aanpassen aan fluctuerende CO2-concentraties in hun omgeving om een efficiënte koolstofassimilatie te behouden tijdens de calvincyclus?

<p>Door het aanpassen van de affiniteit van het rubisco-enzym voor CO2 via post-translationele modificaties, waardoor de carboxylatie-efficiëntie wordt gemaximaliseerd onder verschillende CO2-niveaus. (D)</p> Signup and view all the answers

In welke mate beïnvloedt de samenstelling en structuur van de antennecomplexen in fotosystemen I en II de efficiëntie van de fotosynthese onder verschillende lichtspectra, en welke aanpassingen stellen planten in staat om te overleven in schaduwrijke omgevingen?

<p>De antennecomplexen bevatten verschillende soorten pigmenten, zoals chlorofyl a, chlorofyl b, carotenoïden en xanthofylen, die selectief verschillende golflengten absorberen, en planten in schaduwrijke omgevingen hebben een hoger chlorofyl b/a ratio om blauw licht efficiënter te absorberen. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de regulatie van de genexpressie van enzymen betrokken bij de calvincyclus de aanpassing van planten aan langdurige droogte, en welke specifieke aanpassingen in de expressie van deze genen dragen bij aan een verhoogde droogtetolerantie?

<p>Planten reguleren selectief de expressie van enzymen zoals rubisco, ribulose-5-fosfaat kinase en glyceraldehyde-3-fosfaat dehydrogenase om de koolstofassimilatie te optimaliseren en de synthese van osmolieten te bevorderen, wat bijdraagt aan de droogtetolerantie. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de specifieke ruimtelijke ordening van fotosystemen I en II binnen de thylakoïdmembranen de efficiëntie van de energieoverdracht tijdens de lichtreacties, en welke structurele aanpassingen optimaliseren dit proces?

<p>De cluster vorming van fotosysteem I en II op specifieke locaties op Thylakoïdmembranen maakt een efficiënte energieoverdracht mogelijk en vermindert energieverlies als warmte. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de pH-gradiënt over de thylakoïdmembranen, gegenereerd tijdens de lichtreacties, de activiteit van ATP-synthase, en welke regulerende mechanismen voorkomen schade door een excessieve protonenaccumulatie?

<p>Een hogere pH-gradiënt stimuleert ATP-synthase, maar de plant gebruikt mechanismen zoals de xantofylcyclus om overtollige energie af te voeren als warmte. (D)</p> Signup and view all the answers

In hoeverre is de efficiëntie van de koolstofassimilatie door rubisco afhankelijk van de temperatuur en CO2-concentratie, en hoe passen planten zich fysiologisch aan om optimale fotosynthese te behouden onder suboptimale omstandigheden?

<p>Bij lage CO2-concentraties schakelen planten over op CAM-fotosynthese en activeren ze warmte shock proteïnen om rubisco te stabiliseren. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de beschikbaarheid van water de fotosynthese op cellulair niveau, specifiek met betrekking tot de functie van huidmondjes en de synthese van essentiële cofactoren, en welke lange-termijn adaptaties stellen planten in staat om te overleven in droge omgevingen?

<p>Droogte resulteert in een verminderde synthese van NADP+ en een verhoogde aanmaak van absciszuur, waardoor de huidmondjes sluiten en de plant overschakelt op C4-fotosynthese of CAM-fotosynthese. (B)</p> Signup and view all the answers

Welke complexe interactie bestaat er tussen de licht- en donkerreacties, en hoe beïnvloeden veranderingen in de omgevingsfactoren de snelheid van beide reacties, evenals de algehele efficiëntie van de fotosynthese?

<p>De donkerreactie reguleert de lichtreactie door de aanvoer van ADP en Pi te beperken bij een tekort aan CO2, terwijl een gebrek aan water de lichtreactie remt door het sluiten van de huidmondjes en het beperken van de CO2-toevoer. (A)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende beweringen beschrijft het meest nauwkeurig de rol van myosine bij plasmastroming in plantencellen?

<p>Myosine zet chemische energie uit ATP om in kinetische energie, waardoor organellen zoals chloroplasten zich langs actinefilamenten verplaatsen. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt cyclische fotofosforylering de ATP- en NADPH,H+-productie in chloroplasten, en waarom is dit proces essentieel voor de Calvincyclus?

<p>Cyclische fotofosforylering produceert extra ATP en geen NADPH,H+, wat nodig is om de ATP/NADPH,H+-verhouding aan te passen voor de Calvincyclus. (D)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende processen draagt direct bij aan het ontstaan van een protonengradiënt over de thylakoïdmembranen tijdens de lichtreactie van de fotosynthese?

<p>De splitsing van water in het lumen en het transport van protonen door cytochroom-bf. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe zou een experimentele blokkade van ATP-synthetase in chloroplasten de processen van de licht- en donkerreacties beïnvloeden?

<p>De blokkade zou zowel de lichtreacties als de Calvincyclus vertragen. (D)</p> Signup and view all the answers

Stel dat een plant wordt blootgesteld aan een omgeving met een lage CO2-concentratie. Welke directe aanpassing in de Calvincyclus zou de plant waarschijnlijk maken om de fotosynthese te optimaliseren?

<p>Verhoging van de productie van ribulose-1,5-difosfaat om meer CO2 te kunnen binden. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de lokale sacharoseconcentratie in de bastvaten het watertransport, en welk direct gevolg heeft dit voor de druk in de vaten op de locaties van 'source' en 'sink'?

<p>Een hogere sacharoseconcentratie verhoogt de osmotische waarde, waardoor water het vat instroomt en de druk toeneemt bij de 'source'. (B)</p> Signup and view all the answers

Welke structurele kenmerken van bastvaten maken efficiënt transport over lange afstanden mogelijk, en hoe worden deze structuren ondersteund door begeleidende cellen?

<p>Zeefplaten met plasmadraden en het ontbreken van een kern in bastvatcellen, ondersteund door ATP en eiwitproducten van begeleidende cellen. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe passen planten zich aan wanneer de fotosynthese overdag sneller verloopt dan het transport van suikers naar andere delen van de plant, en welk voordeel biedt dit adaptatiemechanisme?

<p>Door de suikers tijdelijk op te slaan als zetmeel in de chloroplasten, wat de osmotische waarde beperkt en overmatige wateropname voorkomt. (C)</p> Signup and view all the answers

Welke rol speelt molybdeen (Mo) bij de stikstofassimilatie in planten, en hoe beïnvloedt een tekort aan dit micronutriënt de productie van essentiële biomoleculen?

<p>Molybdeen is een cofactor voor het enzym dat nitraat omzet in nitriet, en een tekort beperkt de productie van aminozuren. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe verschilt het transport van stoffen in bastvaten van transport door middel van diffusie, en welke processen drijven het snelle transport door bastvaten aan?

<p>Diffusie is effectiever over korte afstanden, aangedreven door concentratieverschillen, terwijl bastvaten snel transport via osmotische processen gebruiken. (C)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende processen is het meest direct afhankelijk van de activiteit van begeleidende cellen in bastvaten?

<p>De actieve aanvoer van ATP en eiwitten naar de bastvatcellen. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een tekort aan molybdeen (Mo) direct de stikstofassimilatie in planten?

<p>Het vermindert de activiteit van het enzym dat nitriet omzet in ammonium. (B)</p> Signup and view all the answers

Stel dat de fotosynthese in een plant overdag aanzienlijk sneller verloopt dan het transport van sacharose naar de sinks. Welk mechanisme treedt dan primair op in de chloroplasten om de osmotische waarde onder controle te houden?

<p>De omzetting van glucose in zetmeel om de concentratie van osmotisch actieve deeltjes te verlagen. (D)</p> Signup and view all the answers

Welke van de volgende beweringen beschrijft het meest nauwkeurig hoe de overdruk in de source en de onderdruk in de sink bijdragen aan het transport in de bastvaten?

<p>Het verschil in drukpotentiaal tussen de source en de sink drijft de stroming van plasma met organische stoffen in de bastvaten aan. (D)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de aanwezigheid van zeefplaten in bastvaten het transport van organische stoffen, en welke rol spelen plasmadraden hierbij?

<p>Zeefplaten vormen een barrière voor massastroom, maar plasmadraden verbinden de cytoplasma's van aangrenzende cellen en faciliteren transport. (D)</p> Signup and view all the answers

In welke situatie zou een C3-plant, ondanks optimale lichtomstandigheden en voldoende water, toch een significant lagere netto primaire productie (NPP) vertonen in vergelijking met een C4-plant?

<p>Bij een relatief lage CO2-concentratie in de atmosfeer en een hoge zuurstofconcentratie, waardoor rubisco vaker reageert met O2 in plaats van CO2. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt de accumulatie van zetmeel in de chloroplasten van sluitcellen direct de regulatie van de opening en sluiting van huidmondjes, en welke secundaire effecten heeft dit op de fotosynthese onder droogtecondities?

<p>Zetmeelaccumulatie vermindert de turgordruk in de sluitcellen, waardoor de huidmondjes sluiten en de waterverdamping wordt beperkt; dit leidt echter tot een reductie van de CO2-opname en fotosynthese. (B)</p> Signup and view all the answers

Stel: een plant bevindt zich in een omgeving met een constante hoge lichtintensiteit. Welke combinatie van factoren limiteert, na verloop van tijd, de fotosynthesesnelheid het meest waarschijnlijk, uitgaande van een functioneel rubisco-enzym?

<p>De afname van de CO2-concentratie rondom het rubisco-enzym in de stroma, als gevolg van een beperkte diffusiesnelheid in het blad. (C)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een verhoging van het gehalte aan carotenoïden in de bladeren van planten die blootstaan aan intense lichtstress de efficiëntie van de fotosynthese, en welke mechanismen zijn hierbij betrokken?

<p>Carotenoïden beschermen de fotosynthetische apparaten tegen foto-oxidatieve schade door overtollige energie om te zetten in warmte via het xanthofylcyclus, waardoor de efficiëntie op lange termijn behouden blijft. (A)</p> Signup and view all the answers

In een experimentele setting worden C3-planten blootgesteld aan een kunstmatige atmosfeer met een verhoogde CO2-concentratie en een gelijktijdige verlaging van de zuurstofconcentratie. Na enige tijd wordt de activiteit van rubisco gemeten. Welke van de volgende resultaten is het meest waarschijnlijk en waarom?

<p>De activiteit van rubisco neemt toe doordat de verhoogde CO2-concentratie de competitie met zuurstof minimaliseert, waardoor de carboxylering van ribulose-1,5-difosfaat wordt bevorderd. (A)</p> Signup and view all the answers

In een monocultuur van een voedselgewas, welke van de volgende factoren heeft de meest significante impact op de fotosynthese-efficiëntie en de uiteindelijke opbrengst, gezien de beperkingen van abiotische factoren en potentiële ziekteverspreiding?

<p>De genetische uniformiteit van het gewas, waardoor de vatbaarheid voor specifieke ziekten toeneemt. (A)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een langdurige blootstelling aan een hogere CO2-concentratie in een kas de fotosynthese bij C3-planten, rekening houdend met de activiteit van rubisco en de potentiële impact op de productie van glucose?

<p>Het leidt tot een afname van de fotorespiratie, waardoor de efficiëntie van de glucoseproductie toeneemt. (C)</p> Signup and view all the answers

Wat is de meest kritieke overweging bij het optimaliseren van de fotosynthese in een kas, waar zowel de lichtintensiteit als de CO2-concentratie kunstmatig worden gereguleerd, om de netto primaire productie (NPP) te maximaliseren?

<p>Het balanceren van de lichtintensiteit en CO2-concentratie om het compensatiepunt te minimaliseren en de bruto primaire productie (BPP) te maximaliseren. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een gebrek aan magnesium de fotosynthese in bladeren, en welke cellulaire processen worden primair aangetast, rekening houdend met de rol van magnesium in chloroplasten?

<p>Het vermindert de hoeveelheid functioneel chlorofyl, wat de absorptie van lichtenergie en dus de fotosynthese beperkt. (A)</p> Signup and view all the answers

In welke mate beïnvloedt de aanwezigheid van een intacte cuticula op bladeren de efficiëntie van de fotosynthese, en hoe verschilt dit effect onder verschillende omgevingsomstandigheden zoals hoge luchtvochtigheid versus droogte?

<p>De cuticula beschermt tegen waterverlies, wat indirect de fotosynthese bevordert door het behoud van de turgordruk in de sluitcellen en het openhouden van de huidmondjes, vooral tijdens droogte. (D)</p> Signup and view all the answers

Een teler constateert dat een gewas in een kas minder productief is dan verwacht, ondanks voldoende water en voedingsstoffen. Welke aanpassing zou de teler in eerste instantie moeten overwegen om de fotosynthese te optimaliseren?

<p>Het verhogen van de CO2-concentratie in de kas. (B)</p> Signup and view all the answers

Wat is de meest directe impact van het sluiten van huidmondjes op een zonnige dag op de fotosynthese bij een C3-plant?

<p>Een verminderde CO2-opname, wat kan leiden tot fotorespiratie. (B)</p> Signup and view all the answers

Hoe beïnvloedt een tekort aan magnesium (Mg) de fotosynthese op cellulair niveau?

<p>Het beperkt de vorming van chlorofyl, waardoor de lichtabsorptie vermindert. (D)</p> Signup and view all the answers

Stel een plant bevindt zich in een omgeving waar de lichtintensiteit optimaal is, maar de bladeren vertonen een duidelijke vergeling tussen de nerven. Welke voedingsstof is waarschijnlijk het meest beperkend voor de fotosynthese?

<p>IJzer (Fe) (B)</p> Signup and view all the answers

Wat is de voornaamste reden dat de netto primaire productie (NPP) een goede indicator is voor de productiviteit van een gewas?

<p>De NPP geeft aan hoeveel organische stof overblijft na dissimilatie, beschikbaar voor groei en opslag. (D)</p> Signup and view all the answers

Flashcards

Wat is bestuiving?

Het overbrengen van stuifmeel van de meeldraden naar de stempel.

Wat is een rozenbottel?

Een schijnvrucht van de roos, ontstaan na bestuiving en bevruchting.

Wat is de eerste stap bij kruisen van rozen?

Het verwijderen van bloemblaadjes en meeldraden bij de moederplant om ongewenste zelfbestuiving te voorkomen.

Wat is klassiek veredelen?

Het opzettelijk kruisen van planten om nieuwe combinaties van eigenschappen te verkrijgen.

Signup and view all the flashcards

Wat is ongeslachtelijke voortplanting?

Het vermeerderen van een plant waarbij de nakomelingen genetisch identiek zijn aan de ouderplant.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn ogen (oculi)?

Slapende knoppen waaruit nieuwe rozentakken kunnen groeien.

Signup and view all the flashcards

Wat is enten (oculeren)?

Het overbrengen van een oog van een tak op een onderstam.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn sporen?

Haploïde cellen die dienen voor de verspreiding van schimmels.

Signup and view all the flashcards

Wat is mycelium?

Netwerk van schimmeldraden.

Signup and view all the flashcards

Wat is een transgene plant?

Een plant waarbij genen van een ander organisme zijn ingebouwd.

Signup and view all the flashcards

Wat is bevruchting bij rozen?

Het versmelten van de ♂ voortplantingskernen met de eicellen in de zaadbeginsels.

Signup and view all the flashcards

Wat is het nadeel van selectie bij rozen?

Het herhaaldelijk selecteren op bepaalde kenmerken waardoor andere eigenschappen per ongeluk verloren gaan.

Signup and view all the flashcards

Wat is enten van rozen?

Een techniek waarbij een oog van een plant met gewenste eigenschappen wordt geplaatst op een onderstam met goede wortels.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn cisgene planten?

Planten waarbij genen van planten van dezelfde soort zijn ingebouwd.

Signup and view all the flashcards

Wat is crossing-over bij polyploïde rozen?

De manier waarop tijdens de meiose de vier homologe chromosomen paren vormen en delen uitwisselen, wat zorgt voor meer genetische variatie.

Signup and view all the flashcards

Wat is rozenveredeling?

Nieuwe rozenrassen kweken door stuifmeel van de ene roos systematisch over te brengen naar de andere.

Signup and view all the flashcards

Wat is een DNA-marker?

Een techniek waarbij een marker-DNA wordt gebruikt om snel resistentiegenen in nakomelingen te identificeren.

Signup and view all the flashcards

Hoe ontstaan GMO-planten?

Het inbrengen van genetisch materiaal in plantencellen, waarna nieuwe planten ontstaan via weefselkweek.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn polyploïde rozen?

Planten met meerdere sets chromosomen, wat leidt tot ingewikkelde overerving en meer genetische variatie.

Signup and view all the flashcards

Wat is een plasmide?

Een cirkelvormig DNA-molecuul in bacteriën, gebruikt om genen over te brengen naar plantencellen.

Signup and view all the flashcards

Wortelharen

Uitstulpingen van opperhuidcellen aan jonge worteltoppen die water en voedingszouten opnemen.

Signup and view all the flashcards

Apoplastroute

Route door celwanden in plantenwortels voor transport van water en voedingszouten.

Signup and view all the flashcards

Symplastroute

Route door celmembranen en grondplasma voor transport van water en voedingszouten.

Signup and view all the flashcards

Endodermis

Een 'muur' van cellen rond de centrale cilinder van een plantenwortel.

Signup and view all the flashcards

Bandjes van Caspari

Waterdichte laagjes in de celwanden van endodermiscellen.

Signup and view all the flashcards

Houtvaten

Speciale transportbuisjes waardoor water en voedingszouten de plant in gaan.

Signup and view all the flashcards

Cohesie

De kracht die watermoleculen aantrekt tot elkaar.

Signup and view all the flashcards

Adhesie

De aantrekkingskracht tussen watermoleculen en de wanden van de houtvaten.

Signup and view all the flashcards

Anorganische sapstroom

De stroom van water en opgeloste zouten van de wortels naar de rest van de plant.

Signup and view all the flashcards

Verdampingsstroom

De verdamping van water in de bladeren waardoor water omhooggetrokken wordt.

Signup and view all the flashcards

Wat is worteldruk?

De druk die ontstaat door osmose als zouten in de centrale cilinder de waterconcentratie verlagen.

Signup and view all the flashcards

Wat is waterpotentiaal (ψ)?

De optelsom van alle krachten die invloed hebben op de waterstroom in een plant.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn huidmondjes?

Opening in bladeren en stengels, omgeven door sluitcellen, waardoor verdamping plaatsvindt.

Signup and view all the flashcards

Wat is anorganische sapstroom?

Het transport van water en opgeloste voedingsstoffen van de wortels naar andere delen van een plant.

Signup and view all the flashcards

Wat is wateropname via wortelharen?

De opname van water met opgeloste zouten door wortelharen.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn houtvaten (xyleem)?

Buisjes gevormd uit afgestorven cellen die water en zouten transporteren.

Signup and view all the flashcards

Wat is cohesie?

De onderlinge aantrekkingskracht tussen watermoleculen.

Signup and view all the flashcards

Wat is adhesie?

De aantrekkingskracht tussen watermoleculen en de wanden van de houtvaten.

Signup and view all the flashcards

Wat is stroma?

Een stroperige vloeistof in chloroplasten, vergelijkbaar met grondplasma.

Signup and view all the flashcards

Wat is fotosynthese?

De omzetting van lichtenergie in chemische energie, waarbij glucose wordt gevormd.

Signup and view all the flashcards

Wat is fotofosforylering?

Een proces waarbij ATP wordt gevormd met behulp van lichtenergie.

Signup and view all the flashcards

Wat is de calvincyclus/donkerreactie?

De fase van fotosynthese waarbij CO2 wordt omgezet in glucose, zonder directe lichtinvloed.

Signup and view all the flashcards

Wat is de lichtreactie?

De eerste fase van fotosynthese, waarbij lichtenergie wordt gebruikt om ATP en NADPH,H+ te produceren.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn chloroplasten?

Organellen in plantencellen waar fotosynthese plaatsvindt.

Signup and view all the flashcards

Wat is de calvincyclus?

De tweede fase van fotosynthese waarin CO2 wordt omgezet in glucose.

Signup and view all the flashcards

Wat is sacharose?

Een disacharide die suikers transporteert van bladeren naar andere delen van de plant.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn bastvaten?

Transportkanalen in planten die organische stoffen transporteren.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn begeleidende cellen?

Cellen die de bastvaten ondersteunen met ATP en eiwitten.

Signup and view all the flashcards

Wat is een 'source'?

Gebieden in de plant waar sacharose actief wordt afgegeven aan de bastvaten.

Signup and view all the flashcards

Wat is een 'sink'?

Gebieden in de plant waar cellen actief sacharose uit de bastvaten halen.

Signup and view all the flashcards

Macronutriënt

Een stof die een plant in grote hoeveelheden nodig heeft.

Signup and view all the flashcards

Micronutriënt

Een stof die een plant slechts in kleine hoeveelheden nodig heeft.

Signup and view all the flashcards

Voortgezette assimilatie

Het proces waarbij planten glucose gebruiken om andere organische stoffen te maken.

Signup and view all the flashcards

Emergente eigenschap

Het verschijnsel waarbij nieuwe eigenschappen ontstaan door de specifieke rangschikking van atomen in een molecuul.

Signup and view all the flashcards

Absorptiespectrum

De mate waarin de belangrijkste pigmenten van een bladgroenkorrel de verschillende golflengtes van licht absorberen.

Signup and view all the flashcards

Beperkende factor (fotosynthese)

De CO2-concentratie of lichtintensiteit die de snelheid van de fotosynthese beperkt, zelfs als andere factoren optimaal zijn.

Signup and view all the flashcards

Bruto primaire productie (BPP)

De totale hoeveelheid glucose die een plant overdag produceert door fotosynthese.

Signup and view all the flashcards

Netto primaire productie (NPP)

De hoeveelheid glucose die overblijft nadat de plant een deel heeft verbruikt voor dissimilatie.

Signup and view all the flashcards

Compensatiepunt

Het punt waarop de fotosynthese en dissimilatie van een plant in evenwicht zijn, waardoor er geen netto productie van glucose is.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn C3-planten?

Planten die CO2 direct binden via de calvincyclus, waarbij een C3-molecuul ontstaat.

Signup and view all the flashcards

Wat is fotorespiratie?

Een proces waarbij rubisco O2 bindt in plaats van CO2, wat de glucoseproductie stopt en geen ATP oplevert.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn C4-planten?

Planten die CO2 eerst binden tot C4-moleculen om fotorespiratie te vermijden, zoals maïs.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn CAM-planten?

Planten die 's nachts hun huidmondjes openen om CO2 op te nemen en opslaan als C4-moleculen.

Signup and view all the flashcards

Wat zijn sluitcellen?

Cellen op bladeren die de openingen van huidmondjes regelen.

Signup and view all the flashcards

Wat is Bruto Primaire Productie (BPP)?

De totale hoeveelheid gevormde glucose overdag door fotosynthese.

Signup and view all the flashcards

Wat is Netto Primaire Productie (NPP)?

De hoeveelheid glucose die overblijft na dissimilatie, gebruikt voor groei en opslag.

Signup and view all the flashcards

Wat is het compensatiepunt?

Het punt waarop de fotosynthese en dissimilatie gelijk zijn, netto productie is nul.

Signup and view all the flashcards

Wat is de functie van sluitcellen?

Cellen die de huidmondjes openen en sluiten, reguleren gaswisseling en waterverlies.

Signup and view all the flashcards

Study Notes

Fotosynthese

  • Bij overdag snellere fotosynthese dan transport hoopt glucose op in chloroplasten.
  • Chloroplasten koppelen glucose (tijdelijk) aan elkaar tot zetmeel, wat de osmotische waarde beperkt en extra wateropname voorkomt.
  • Bij lage glucoseconcentratie in het grondplasma breken chloroplasten zetmeel af tot glucosemoleculen.
  • Planten transporteren suikers in de vorm van sacharose vanuit de bladeren naar andere delen.
  • Tijdens de calvincyclus ontstaan glucose en andere suikers, zoals sacharose, uit glyceraldehyde-3-fosfaatmoleculen.
  • Sacharose is een disacharide.
  • Maximale fotosynthese vereist optimale omstandigheden: voldoende licht, CO2, water, voedingszouten, een luchtige bodem en een juiste pH.
  • Een juiste pH en temperatuur maken optimale reacties met enzymen mogelijk.
  • Chlorofyl absorbeert violet, blauw en rood licht en reflecteert groen en geel licht, wat de groene kleur veroorzaakt.
  • Caroteen absorbeert voornamelijk violet en blauw licht, waardoor het oranjerood lijkt.
  • Een absorptiespectrum geeft weer hoe goed de pigmenten in een bladgroenkorrel verschillende golflengtes van licht absorberen.
  • De CO2-hoeveelheid is vaak de beperkende factor voor fotosynthese.
  • Bij een optimale lichtreactie is de CO2-concentratie in de lucht (bijna 400 ppm) beperkend voor een optimale donkerreactie.
  • Tuinders kunnen in kassen het CO2-gehalte verhogen en temperatuur, pH, lichtduur en intensiteit regelen.
  • Fotosynthese vindt alleen overdag plaats, terwijl dissimilatie dag en nacht doorgaat.
  • Jonge planten hebben overdag meer fotosynthese dan dissimilatie gedurende de dag en nacht, waardoor hun biomassa toeneemt.
  • De bruto primaire productie (BPP) is de hoeveelheid glucose die overdag wordt gevormd.
  • Na dissimilatie blijft de netto primaire productie (NPP) over, die gebruikt wordt voor voortgezette assimilatie en opslag.
  • De NPP bepaalt de productiviteit, oftewel de opbrengst van planten.
  • Mitochondriën leveren CO2 voor fotosynthese en chloroplasten leveren O2 voor dissimilatie.
  • Het compensatiepunt is wanneer dissimilatie en fotosynthese gelijk zijn en de NPP nul is.
  • Voor een hogere netto primaire productie (NPP) is extra fotosynthese nodig, en dus een optimalisering van een beperkende factor.
  • De meeste fotosynthese vindt plaats in de bladeren.
  • De bouw van een blad is geschikt om zonlicht op te vangen, vaak is deze plat met een groot oppervlak.
  • Bovenste epidermiscellen bevatten geen bladgroen, daaronder liggen rechthoekige cellen met veel chloroplasten: het palissadeparenchym.
  • Het sponsparenchym ontvangt minder licht en bevat minder chloroplasten.
  • Een waslaagje (cuticula) beschermt bladeren aan de boven- en onderzijde.
  • Aantasting van het blad of een tekort aan mineralen kan leiden tot vergeling en verlies van productiviteit.
  • Bij een gebreksziekte als magnesium- en ijzergebrek kleuren de bladeren geel terwijl de nerven groen blijven.
  • Bladeren hebben fijne vaatbundels (nerven) voor aan- en afvoer van stoffen.
  • Huidmondjes zorgen voor gaswisseling en verdamping van water.
  • Luchtholtes in het sponsparenchym maken een hoge diffusiesnelheid van gassen mogelijk.
  • Huidmondjes zijn 's nachts bijna gesloten en overdag open.
  • Sluitcellen bevatten chloroplasten en pompen overdag actief K+-ionen naar binnen, waardoor de osmotische waarde stijgt, water wordt opgenomen en huidmondjes opengaan.
  • Waterverlies via huidmondjes kan leiden tot verwelking en het sluiten van de huidmondjes.
  • Bij voldoende CO2 katalyseert rubisco de binding van koolstof aan ribulose-1,5-difosfaat (calvincyclus), wat C3-planten oplevert.
  • Bij een lage CO2-concentratie reageert rubisco met O2 in plaats van CO2, wat leidt tot fotorespiratie.
  • Fotorespiratie levert geen glucose en geen ATP op, waardoor de NPP en productiviteit afnemen.
  • C4-planten binden CO2 met PEP-carboxylase en leveren CO2 voor de calvincyclus in speciale cellen.
  • CAM-planten openen 's nachts hun huidmondjes, nemen CO2 op en slaan dit op als appelzuur in vacuolen.
  • Sluitcellen maken overdag glucose en pompen K+-ionen naar binnen waardoor de osmotische waarde stijgt, wateropname volgt en de turgor toeneemt.
  • De opening tussen sluitcellen vergroot, waardoor het huidmondje open gaat staan.
  • Water verdampt via de huidmondjes, wat leidt tot een lagere waterpotentiaal en de verdampingsstroom in de houtvaten.
  • Bij watertekort verwelken de sluitcellen, waardoor de huidmondjes sluiten.
  • Bij een te lage CO2-concentratie katalyseert rubisco de reactie met O2 in plaat van CO2 wat leidt tot fotorespiratie.
  • C4-planten vormen C4-moleculen in de parenchymcellen.
  • Deze C4-moleculen geven in cellen in de buurt van de nerven CO2 af voor de calvincyclus.
  • CAM-planten slaan 's nachts CO2 op als appelzuur in de vacuolen van cellen met bladgroen en maken overdag de CO2 weer vrij voor de calvincyclus.

Transport via Bastvaten

  • Transport van organische stoffen zoals sacharose vindt meestal plaats via bastvaten (zeefvaten of floëemvaten).
  • Bastvaten transporteren de organische sapstroom en lopen samen met houtvaten in vaatbundels.
  • Bastvaten bestaan uit langgerekte levende cellen met zeefplaten (doorboorde tussenwanden).
  • Plasmadraden lopen van cel naar cel via openingen in de zeefplaten.
  • Bastvatcellen hebben geen kern en een beperkt aantal organellen (glad endoplasmatisch reticulum en mitochondriën).
  • Begeleidende cellen met kern, veel mitochondriën en ribosomen ondersteunen de werking van de bastvaten.
  • ATP en eiwitproducten van begeleidende cellen bewegen via plasmadraden naar de bastvatcellen.
  • Diffusie speelt een beperkte rol; transport via bastvaten berust op osmotische processen.
  • Uitsluitend via diffusie zou het meer dan dertig jaar duren om in een plant een molecuul over een afstand van 1 meter te transporteren, terwijl dit in werkelijkheid slechts een uur duurt.
  • Cellen scheiden actief sacharose af naar een bastvat in de bladeren (source), wat de osmotische waarde verhoogt en water aantrekt, resulterend in overdruk.
  • Op plaatsen waar sacharose nodig is (sink), halen cellen actief sacharose uit de bastvaten, wat de osmotische waarde verlaagt en water afstoot, resulterend in onderdruk.
  • Het verschil tussen overdruk in de source en onderdruk in de sink drijft de stroming van plasma met organische stoffen in de bastvaten.
  • De stromingsrichting hangt af van de plaats van source en sink; in de zomer zijn bladeren de source en bloemen, vruchten, zaden en wortels de sink.
  • In het vroege voorjaar gaan suikers via de bastvaten van de wortels (opslag) naar de knoppen, en soms ook via de houtvaten.

Dissimilatie en Voortgezette Assimilatie

  • Cellen van een sink gebruiken glucose als brandstof voor ATP-vorming (dissimilatie).
  • Ze gebruiken glucose als grondstof voor voortgezette assimilatie: het maken van andere organische stoffen (eiwitten, cellulose, zetmeel, vetten, DNA, RNA).
  • Plantencellen maken uit glucose ook vitaminen, kleurstoffen (chlorofyl, caroteen, anthocyanen), gifstoffen en pectine.
  • Chlorofyl-a (C55H72O5N4Mg) bevat naast C-, H- en O-atomen ook N-atomen en een Mg-atoom.
  • De groene kleur van chlorofyl is een emergente eigenschap, het resultaat van de rangschikking van de atomen die rood en blauw licht absorbeert.
  • De geel-oranje kleuren van tulpenbloemen komen voornamelijk door carotenen in de chromoplasten.
  • De rode, roze en paarse kleuren ontstaan vooral door verschillende anthocyanen in het vacuolevocht, waarbij de pH een rol speelt.
  • De absorptie en reflectie van chlorofyl is een emergente eigenschap.
  • Door de bijzondere rangschikking van de atomen in een chlorofylmolecuul ontstaat een emergente eigenschap: het absorbeert rood en blauw licht en reflecteert groen licht.

Macro- en Micronutriënten

  • Stikstof is een macronutriënt, essentieel voor chlorofyl.
  • Fosfor en kalium zijn de belangrijkste macronutriënten.
  • Planten nemen stikstof hoofdzakelijk op als nitraat, en soms als ammonium.
  • Bemesting met nitraat en fosfaat kan leiden tot eutrofiëring van grond- en oppervlaktewater.
  • Vervluchtigd stikstof (ammoniak) en NOx dragen bij aan stikstofdepositie in natuurgebieden, wat de biodiversiteit vermindert.
  • Magnesium is ook een macronutriënt.
  • Molybdeen (Mo) is een micronutriënt (sporenelement), een cofactor voor nitraatreductase, dat nitraat omzet in nitriet.
  • Molybdeen is belangrijk voor stikstofassimilatie en de productie van aminozuren.
  • De plant zet nitriet om in ammonium, dat als bouwsteen dient voor aminozuren.

Plantengroei en Omgevingsfactoren

  • Na kieming groeien jonge planten in lengte en massa en ontwikkelen zich tot volwassen planten.
  • De levenscyclus verschilt per plantensoort.
  • Bij voedselgewassen wordt de natuurlijke levenscyclus vaak onderbroken voor de oogst.
  • De oogst van penen vindt bijvoorbeeld aan het eind van het eerste jaar plaats.
  • De bloei in het tweede jaar vindt daardoor niet plaats en de penen vormen geen vruchten en zaden.
  • Aardappelen die uit zaad (geslachtelijk) groeien, kunnen pas in het tweede jaar knollen vormen.
  • Daarom zaaien boeren geen aardappelzaden, maar planten ze elk jaar kleine pootaardappelen (ongeslachtelijk vermeerderen via knollen).
  • Monoculturen, kunstmest en bestrijdingsmiddelen kunnen schadelijke neveneffecten hebben.
  • Telers kiezen rassen die optimale opbrengsten leveren en tolerant zijn voor abiotische stress.
  • Voor een maximale groei en opbrengst dienen alle factoren optimaal te zijn: de hoeveelheid licht, de concentratie CO2 in de lucht en de hoeveelheid water en voedingszouten in een luchtige bodem met een juiste pH.
  • C3-planten (95% van alle planten) hebben bij lage CO2-concentraties last van fotorespiratie.
  • Voorbeelden van C3 planten zijn tarwe, rijst en aardappelen.
  • C4-planten, zoals maïs, omzeilen fotorespiratie door C4-moleculen te vormen.
  • CAM-planten, zoals vetplanten, openen 's nachts hun huidmondjes om waterverlies te voorkomen.

Studying That Suits You

Use AI to generate personalized quizzes and flashcards to suit your learning preferences.

Quiz Team

Description

Leer over rozenveredeling, een arbeidsintensief proces van het kweken van nieuwe rozenrassen. Klassieke methoden omvatten het selecteren van ouderplanten en handmatig uitvoeren van kruisingen. Ontdek hoe geslachtelijke voortplanting via bestuiving en bevruchting een cruciale rol speelt.

More Like This

Rose Center for Earth and Space
10 questions
Rose Black Spot: Fungal Disease
0 questions
Rose and Violet's Garden Surprise
10 questions
Use Quizgecko on...
Browser
Browser